Scheikunde 5 - Les 5

Scheikunde 5 - Les 1
1 / 53
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMBOStudiejaar 3

This lesson contains 53 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min
Report this lesson

Items in this lesson

Scheikunde 5 - Les 1

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Weekplanning
Wk 1: Koolhydraten: opbouw en soorten
Wk 2: Koolhydraten: effect op het lichaam
Wk 3: Eiwitten: bouwstenen van het lichaam
Wk 4: Vetten: opbouw en structuur
Wk 5: Vetten: effect op gezondheid & Toepassing in leefstijladvies

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Alle verzadigde vetten zijn ongezond.
Feit
Fabel

Slide 3 - Poll

kort bespreken.

Nog niet alle antwoorden geven.
Eieren verhogen altijd het cholesterolgehalte.
Feit
Fabel

Slide 4 - Poll

kort bespreken.

Nog niet alle antwoorden geven.
Transvetten zijn onverzadigde vetten.
Feit
Fabel

Slide 5 - Poll

kort bespreken.

Nog niet alle antwoorden geven.
Olijfolie bevat geen verzadigd vet.
Feit
Fabel

Slide 6 - Poll

kort bespreken.

Nog niet alle antwoorden geven.
Een gezond voedingspatroon draait om meer dan één voedingsstof.
Feit
Fabel

Slide 7 - Poll

kort bespreken.

Nog niet alle antwoorden geven.
Leerdoelen
Jij:
- kunt uitleggen waarom transvetten ongunstig zijn voor de gezondheid;
- kunt het effect van verschillende vetten op de gezondheid uitleggen.
- kunt dit vertalen naar voedingsadvies;
- kunt de scheikundige eigenschappen van voedingsstoffen koppelen aan hun effect in het lichaam;
- kunt scheikundige kennis over voedingsstoffen vertalen naar begrijpelijke uitleg voor cliënten;
- kunt scheikundige kennis gebruiken bij het beoordelen van voedingskeuzes en etiketten.


Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Lesplanning
  • Klassikale uitleg: Vetten en gezondheid.
  • Wat gebeurt er in het bloed?
  • Klassikale uitleg: Van scheikunde naar leefstijladvies.
  • Van vaktaal naar cliëntentaal.
  • Quiz-time.

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Wat zou er gebeuren als we helemaal geen vetten zouden eten?

Slide 10 - Open question

vetten hebben essentiële functies: 
  • vetten zijn nodig voor de opname van vetoplosbare vitaminen;
  • vetten vormen een belangrijk onderdeel van celmembranen;
  • cholesterol is een grondstof voor hormonen.
"Vetten zijn niet alleen brandstof. Ze zijn ook bouwstoffen en hulpstoffen voor veel processen in het lichaam."
Waarom hebben we vetten nodig?
Vetten zijn meer dan een energiebron

Vetten zijn belangrijk voor:
  • energieopslag;
  • opname van vitamine A, D, E en K;
  • opbouw van celmembranen;
  • aanmaak van steroïdhormonen;
  • bescherming van organen.

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Wat was ook alweer het verschil tussen verzadigde en onverzadigde vetzuren?

Slide 12 - Open question

verzadigde vetten: geen dubbele binding, rechte structuur;
onverzadigde vetten: wel dubbele binding, geknikte structuur;
Verschillende soorten vetten
Cisvetzuur
Transvetzuur

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Verschillende soorten vetten

Verschillende structuren
↓
Verschillende eigenschappen
↓
Verschillende effecten in het lichaam

Slide 14 - Slide

"Deze structuurverschillen bepalen niet alleen of een vet hard of vloeibaar is, maar beïnvloeden ook processen in het lichaam."
Wat is cholesterol?

Slide 15 - Mind map

This item has no instructions

Cholesterol is een vetachtige stof.
Het lichaam gebruikt cholesterol voor:
  • celmembranen;
  • steroïdhormonen;
  • galproductie.

Cholesterol komt uit:
  • eigen aanmaak (vooral in de lever);
  • voeding.
"Het probleem is niet dat cholesterol bestaat. Het gaat om de manier waarop cholesterol wordt vervoerd en de hoeveelheid die langdurig aanwezig is."

Slide 16 - Slide

Cholesterol is een normale en noodzakelijke stof.

Zonder cholesterol:
  • geen celmembranen;
  • geen testosteron;
  • geen oestrogeen;
  • geen vitamine D-productie.
"Het probleem is niet dat cholesterol bestaat. Het gaat om de manier waarop cholesterol wordt vervoerd en de hoeveelheid die langdurig aanwezig is."
Waarom heeft cholesterol transport nodig?

Slide 17 - Open question

Cholesterol lost niet op in water.
Het bloed bestaat grotendeels uit water.

water en vet mengen niet goed;
cholesterol is vetachtig;
daarom kan cholesterol niet vrij door het bloed reizen.

Omdat cholesterol niet oplosbaar is in bloed, heeft het een transportsysteem nodig.
Lipoproteïnen = transportdeeltjes
Bestaan uit:
  • buitenkant die mengt met bloed;
  • binnenkant met vetachtige stoffen.

Vervoeren onder andere:
  • cholesterol;
  • triglyceriden.

Slide 18 - Slide

"Deze structuurverschillen bepalen niet alleen of een vet hard of vloeibaar is, maar beïnvloeden ook processen in het lichaam."
LDL
Low Density Lipoprotein

Functie:
  • vervoert cholesterol vanuit de lever naar de weefsels.

Belangrijk
Een langdurig verhoogde LDL-waarde wordt
geassocieerd met een verhoogd risico op
hart- en vaatziekten.

Slide 19 - Slide

LDL vervoert cholesterol vanuit de lever naar weefsels in het lichaam.
Een langdurig verhoogd LDL-gehalte wordt geassocieerd met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten. Daarbij spelen ook andere factoren een rol, zoals:
• bloeddruk; 
• roken; 
• chronische ontstekingsprocessen; 
• insulineresistentie; 
• diabetes mellitus; 
• lichaamsbeweging; 
• genetische aanleg; 
• en de totale metabole gezondheid. 
Hart- en vaatziekten ontstaan dus niet door één afzonderlijke oorzaak, maar door een samenspel van meerdere factoren.

HDL
HDL speelt een rol bij het transport van cholesterol vanuit weefsels terug naar de lever.
In de praktijk wordt HDL vaak het ‘goede cholesterol’ genoemd, omdat hogere HDL-waarden vaak samenhangen met een lager risico op hart- en vaatziekten.

Tegenwoordig weten we dat dit verband complexer is. Een hoog HDL-gehalte betekent niet automatisch dat iemand beschermd is tegen hart- en vaatziekten. Ook andere factoren, zoals leefstijl, ontstekingsprocessen, insulineresistentie en de totale metabole gezondheid spelen een rol.
HDL maakt deel uit van het normale transport van vetachtige stoffen in het lichaam.

Belangrijk:
In de praktijk worden LDL en HDL vaak vereenvoudigd omschreven als ‘slecht’ en ‘goed’ cholesterol. Ook voedingsrichtlijnen en publieksvoorlichting gebruiken deze termen regelmatig. Daarbij wordt bewust gekozen voor een eenvoudiger model dat begrijpelijk is voor een breed publiek, de consument. 
Het is belangrijk om te weten en je bewust te zijn als professional dat cholesteroltransport en hart- en vaatziekten in werkelijkheid complexer zijn en dat meerdere factoren een rol spelen. 

LDL is noodzakelijk. Problemen ontstaan vooral wanneer de hoeveelheid langdurig verhoogd is."

HDL
High Density Lipoprotein

Functie:
  • speelt een rol bij transport van cholesterol
    vanuit weefsels terug naar de lever.

Belangrijk
Een langdurig verhoogde LDL-waarde wordt
geassocieerd met een verhoogd risico op
hart- en vaatziekten.

Slide 20 - Slide

LDL vervoert cholesterol vanuit de lever naar weefsels in het lichaam.
Een langdurig verhoogd LDL-gehalte wordt geassocieerd met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten. Daarbij spelen ook andere factoren een rol, zoals:
• bloeddruk; 
• roken; 
• chronische ontstekingsprocessen; 
• insulineresistentie; 
• diabetes mellitus; 
• lichaamsbeweging; 
• genetische aanleg; 
• en de totale metabole gezondheid. 
Hart- en vaatziekten ontstaan dus niet door één afzonderlijke oorzaak, maar door een samenspel van meerdere factoren.

HDL
HDL speelt een rol bij het transport van cholesterol vanuit weefsels terug naar de lever.
In de praktijk wordt HDL vaak het ‘goede cholesterol’ genoemd, omdat hogere HDL-waarden vaak samenhangen met een lager risico op hart- en vaatziekten.

Tegenwoordig weten we dat dit verband complexer is. Een hoog HDL-gehalte betekent niet automatisch dat iemand beschermd is tegen hart- en vaatziekten. Ook andere factoren, zoals leefstijl, ontstekingsprocessen, insulineresistentie en de totale metabole gezondheid spelen een rol.
HDL maakt deel uit van het normale transport van vetachtige stoffen in het lichaam.

Belangrijk:
In de praktijk worden LDL en HDL vaak vereenvoudigd omschreven als ‘slecht’ en ‘goed’ cholesterol. Ook voedingsrichtlijnen en publieksvoorlichting gebruiken deze termen regelmatig. Daarbij wordt bewust gekozen voor een eenvoudiger model dat begrijpelijk is voor een breed publiek, de consument. 
Het is belangrijk om te weten en je bewust te zijn als professional dat cholesteroltransport en hart- en vaatziekten in werkelijkheid complexer zijn en dat meerdere factoren een rol spelen. 

Een hoog HDL betekent niet automatisch dat iemand beschermd is tegen hart- en vaatziekten.

Cholesterol wordt vanuit de lever naar de weefsels gebracht door
A
LDL
B
HDL

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Waarom is het verhaal complexer?
Hart- en vaatziekten worden beïnvloed door meerdere factoren:
  • bloeddruk;
  • roken;
  • beweging;
  • diabetes;
  • ontstekingsprocessen;
  • genetische aanleg;
  • voedingspatroon.

Gezondheid wordt nooit door één voedingsstof bepaald.

Slide 22 - Slide

Online is er veel zwart-wit informatie.

Het risico op hart- en vaatziekten wordt niet bepaald door:
  • alleen cholesterol;
  • alleen verzadigd vet;
  • alleen één voedingsmiddel.
"In de voedingswetenschap kijken we steeds meer naar het totaalplaatje."
Welke vetsoort verwacht je op basis van de structuur het minst gunstig?
A
Verzadigde vetten
B
Onverzadigde vetten
C
Transvetten

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Effect van verzadigde vetten
Kunnen bij veel mensen het LDL-cholesterol verhogen.

Komen voor in:
  • boter;
  • volvette zuivel;
  • vet vlees;
  • kokosvet;
  • palmolie.
Belangrijk

Het effect hangt ook af van:
  • de hoeveelheid;
  • het totale voedingspatroon;
  • wat ervoor in de plaats wordt gegeten.

Slide 24 - Slide

Online is er veel zwart-wit informatie.

Het risico op hart- en vaatziekten wordt niet bepaald door:
  • alleen cholesterol;
  • alleen verzadigd vet;
  • alleen één voedingsmiddel.
"In de voedingswetenschap kijken we steeds meer naar het totaalplaatje."
Is een croissant hetzelfde als een bakje volle kwark met fruit en noten?
Waarom?

Slide 25 - Open question

Nee. Beide kunnen verzadigd vet bevatten, maar het totale voedingsmiddel en voedingspatroon maken ook uit.
Effect van onverzadigde vetten
Kunnen bijdragen aan gunstige bloedlipiden;
Kunnen LDL helpen verlagen wanneer ze verzadigde vetten vervangen.

Komen voor in:
  • noten;
  • zaden;
  • avocado;
  • plantaardige oliën;
  • vette vis.
Belangrijk

Het voordeel ontstaat vooral wanneer onverzadigde vetten verzadigde vetten vervangen.

Slide 26 - Slide

Het gaat niet om "meer vet eten", maar om het vervangen van bepaalde vetsoorten.
Effect van transvetzuren
Verhogen LDL en verlagen HDL;
Worden geassocieerd met een hoger risico op hart- en vaatziekten.

Ontstaan onder andere bij:
  • gedeeltelijke hydrogenering van oliën.

Slide 27 - Slide

Transvetten gedragen zich vaak meer als verzadigde vetten dan als cis-onverzadigde vetten omdat hun vetzuurketen relatief recht van vorm is.

Bij cis-onverzadigde vetzuren staan de waterstofatomen aan dezelfde kant van de dubbele binding. Daardoor ontstaat een duidelijke knik in de vetzuurketen. Deze knikken zorgen ervoor dat vetzuurketens minder dicht op elkaar kunnen liggen.

Bij transvetzuren staan de waterstofatomen aan tegenovergestelde kanten van de dubbele binding. Daardoor blijft de vetzuurketen veel rechter. De ketens kunnen hierdoor dichter op elkaar aansluiten, net als bij verzadigde vetzuren.

Hierdoor lijken transvetten qua eigenschappen meer op verzadigde vetten:

ze kunnen dichter op elkaar stapelen;
ze hebben vaak een hoger smeltpunt dan cis-onverzadigde vetten;
ze zijn vaak steviger bij kamertemperatuur.

Kort samengevat:

Transvetten bevatten wel een dubbele binding en zijn daardoor scheikundig onverzadigd, maar door hun rechte structuur lijken ze in hun eigenschappen meer op verzadigde vetten dan op cis-onverzadigde vetten.
Waarom denken jullie dat transvetten zich qua gedrag meer gedragen als verzadigde vetten dan als cis-onverzadigde vetten?

Slide 28 - Open question

This item has no instructions

Lesplanning
  • Klassikale uitleg: Vetten en gezondheid.
  • Wat gebeurt er in het bloed?
  • Klassikale uitleg: Van scheikunde naar leefstijladvies.
  • Van vaktaal naar cliëntentaal.
  • Quiz-time.

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Wat gebeurt er in het bloed?
Verschillende soorten vetten kunnen een verschillend effect hebben op processen in het lichaam en op de bloedlipiden.

Maak Les 5, lesopdracht 1: Wat gebeurt er in het bloed.

In deze opdracht:
  • analyseer je een voedingspatroon;
  • leg je verbanden tussen vetzuurstructuur, LDL en HDL;
  • beoordeel je verschillende voedingskeuzes;
  • formuleer je passende voedingsadviezen.

Slide 30 - Slide

This item has no instructions

Lesplanning
  • Klassikale uitleg: Vetten en gezondheid.
  • Wat gebeurt er in het bloed?
  • Klassikale uitleg: Van scheikunde naar leefstijladvies.
  • Van vaktaal naar cliëntentaal.
  • Quiz-time.

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

Waarom heeft een leefstijladviseur scheikunde nodig?
Een cliënt eet geen:
Een cliënt eet:
- polysachariden;
- aminozuren;
- verzadigde vetzuren;
- omega 3-vetzuren.
- brood;
- yoghurt;
- noten;
- vis;
- snacks;
- complete maaltijden.

Slide 32 - Slide

In de vorige lessen veel scheikundige begrippen behandeld. Een cliënt hoeft die begrippen meestal niet allemaal te kennen. De adviseur heeft deze kennis wel nodig om voedingsmiddelen goed te kunnen beoordelen en een advies inhoudelijk te onderbouwen.

Maak onderscheid tussen:
  • wat de adviseur moet weten;
  • wat de cliënt moet begrijpen;
  • wat de cliënt praktisch kan doen.
“Scheikundige kennis is de onderbouwing van je advies. Je hoeft niet alle vaktermen aan de cliënt uit te leggen, maar je advies moet er wel op gebaseerd zijn.”
Welke uitleg helpt een cliënt meer?
A
“Eet meer onverzadigde vetzuren”
B
"Gebruik bij het koken vaker olijfolie in plaats van boter”

Slide 33 - Quiz

De tweede uitleg is concreter en gemakkelijker toe te passen.
De redeneerlijn van de leefstijladviseur
Scheikundige structuur
 ↓
 effect in het lichaam
 ↓
 betekenis voor voedingskeuzes
 ↓
 praktisch advies
Voorbeeld vetten:

Onverzadigde vetzuren
  • bevatten één of meer dubbele bindingen;
  • kunnen gunstig zijn voor bloedlipiden wanneer zij verzadigde vetten vervangen.

Praktisch advies
Gebruik vaker noten, vis, avocado en plantaardige olie in plaats van producten met veel verzadigd vet.

Slide 34 - Slide

In de vorige lessen veel scheikundige begrippen behandeld. Een cliënt hoeft die begrippen meestal niet allemaal te kennen. De adviseur heeft deze kennis wel nodig om voedingsmiddelen goed te kunnen beoordelen en een advies inhoudelijk te onderbouwen.

Maak onderscheid tussen:
  • wat de adviseur moet weten;
  • wat de cliënt moet begrijpen;
  • wat de cliënt praktisch kan doen.
“Scheikundige kennis is de onderbouwing van je advies. Je hoeft niet alle vaktermen aan de cliënt uit te leggen, maar je advies moet er wel op gebaseerd zijn.”

Boodschap:
Denk bij iedere voedingsvraag eerst na over het onderliggende proces voordat zij advies geven.

De chemische structuur alleen bepaalt niet of een compleet voedingsmiddel gezond is. Ook de hoeveelheid, voedingswaarde, mate van bewerking en plaats binnen het totale voedingspatroon spelen een rol.
Waarom is “eet minder verzadigd vet” nog geen volledig voedingsadvies?

Slide 35 - Open question

Omdat niet duidelijk wordt welke producten de cliënt minder kan gebruiken en welke producten daarvoor in de plaats kunnen komen.
Beoordeel het totale voedingsmiddel
Kijk niet naar één voedingsstof

Beoordeel ook:
  • de hoeveelheid van het product;
  • de overige voedingsstoffen;
  • de mate van bewerking;
  • de ingrediënten;
  • de plaats binnen het totale voedingspatroon;
  • de persoonlijke situatie en doelen van de cliënt.
Voorbeeld:
Volle kwark met fruit en noten
vs
croissant met boter en zoete vulling

Beide kunnen verzadigd vet bevatten, maar zijn niet hetzelfde samengesteld.

Slide 36 - Slide

Leg uit dat een voedingsmiddel uit meerdere voedingsstoffen en structuren bestaat.

Vergelijk bijvoorbeeld:
Volle kwark met fruit en noten
Kan onder andere bevatten:
  • verzadigd vet;
  • eiwit;
  • vitamines en mineralen;
  • vezels uit fruit en noten;
  • onverzadigde vetten uit noten.

Croissant met boter en zoete vulling
Kan onder andere bevatten:
  • verzadigd vet;
  • geraffineerde koolhydraten;
  • toegevoegde suikers;
  • relatief weinig vezels;
  • veel energie in een kleine portie.
De aanwezigheid van verzadigd vet zegt dus niet alles over de totale voedingswaarde.

“Een voedingsmiddel is meer dan de optelsom van één vetsoort, één koolhydraat of één eiwit.”
Welke aanvullende informatie
heb je nodig voordat je
één van deze producten adviseert?

Slide 37 - Mind map

Mogelijke antwoorden:
  • hoeveel en hoe vaak iemand het gebruikt;
  • wat iemand verder eet;
  • de doelen van de cliënt;
  • allergieën of voorkeuren;
  • relevante gezondheidsfactoren;
  • de hoeveelheid verzadigd vet, suiker, eiwit en vezels.
Vervangen in plaats van vermijden
Een advies gaat niet alleen over wat minder moet
Vraag ook: Wat komt ervoor in de plaats?
Minder boter
 ↓
 vervangen door
 ↓
 zachte margarine of plantaardige olie
Minder chips of koek
 ↓
 vervangen door
 ↓
 ongezouten noten, fruit of een volkorenproduct
Voorbeelden

Slide 38 - Slide

Dit is een essentieel principe bij voedingsadvies. Alleen zeggen dat een cliënt ergens minder van moet eten, geeft nog geen richting voor het alternatief.

Bespreek de volgende drie situaties:

Situatie 1
Verzadigd vet wordt vervangen door onverzadigd vet.

Dit kan bij veel mensen gunstig zijn voor de bloedlipiden.

Situatie 2
Verzadigd vet wordt vervangen door sterk bewerkte producten met veel suiker en weinig vezels.

Dat leidt niet automatisch tot een beter voedingspatroon.

Situatie 3
Een product wordt geschrapt zonder alternatief.

Hierdoor kan het voedingspatroon eenzijdiger worden of kan de cliënt later meer trek krijgen.

“Een goed advies noemt niet alleen wat iemand kan beperken, maar ook welk haalbaar alternatief daarvoor in de plaats kan komen.”
Een cliënt gebruikt dagelijks veel boter. Welk advies is completer?
A
Gebruik geen boter meer.
B
Gebruik minder boter en kies vaker een zachte margarine of plantaardige olie.

Slide 39 - Quiz

This item has no instructions

Van vaktaal naar cliëntentaal
Vaktaal
Cliëntentaal
“Het vervangen van verzadigde vetzuren door onverzadigde vetzuren kan bijdragen aan een gunstiger bloedlipidenprofiel.”
“Gebruik bij het koken vaker plantaardige olie en kies regelmatig voor noten, avocado of vis. Deze producten bevatten vetten die vaak beter passen binnen een voedingspatroon dat gericht is op hart en bloedvaten.”

Slide 40 - Slide

In de vorige lessen veel scheikundige begrippen behandeld. Een cliënt hoeft die begrippen meestal niet allemaal te kennen. De adviseur heeft deze kennis wel nodig om voedingsmiddelen goed te kunnen beoordelen en een advies inhoudelijk te onderbouwen.

Maak onderscheid tussen:
  • wat de adviseur moet weten;
  • wat de cliënt moet begrijpen;
  • wat de cliënt praktisch kan doen.
“Scheikundige kennis is de onderbouwing van je advies. Je hoeft niet alle vaktermen aan de cliënt uit te leggen, maar je advies moet er wel op gebaseerd zijn.”
Eisen cliëntentaal

Slide 41 - Mind map

Aan welke eisen moet goede cliëntentaal voldoen?

Goede cliëntuitleg is:
  • begrijpelijk;
  • concreet;
  • juist;
  • niet veroordelend;
  • toepasbaar.
Een etiket lezen

Slide 42 - Slide

“Een etiket geeft informatie, maar het antwoord staat niet in één getal. Je moet verschillende gegevens combineren.”

Benadruk dat op de voedingswaardetabel doorgaans totaal vet en waarvan verzadigde vetzuren staan. De totale hoeveelheid onverzadigd vet kan eventueel worden ingeschat door het verzadigde vet van het totale vet af te trekken, maar dat blijft een benadering als andere vetcomponenten aanwezig zijn.

Transvet staat niet altijd afzonderlijk in de voedingswaardetabel. De ingrediëntenlijst kan aanvullende informatie geven over het gebruikte vet, maar studenten moeten voorzichtig zijn met harde conclusies.


Hoe bouw je een leefstijladvies op?
Een goed voedingsadvies bevat vijf onderdelen

  1. Waarneming: Wat valt op aan de huidige keuze?
  2. Uitleg: Waarom is dit relevant?
  3. Alternatief: Wat kan de cliënt kiezen?
  4. Concrete actie: Wanneer en hoe gaat de cliënt dit doen?
  5. Afstemming: Past dit bij de cliënt?

Slide 43 - Slide

Voorbeeld

“Je gebruikt bij de lunch en avondmaaltijd vaak producten met veel verzadigd vet. Als je een deel daarvan vervangt door onverzadigde vetten, kan dat gunstig zijn voor je bloedlipiden. Probeer deze week bij het koken olijfolie te gebruiken en neem op drie dagen een handje ongezouten noten. Welke van deze veranderingen lijkt jou haalbaar?”
Een cliënt zegt:
“Op dit product staat 30 gram vet per 100 gram. Dat kan dus nooit een gezonde keuze zijn.”

Hoe reageer je als voeding- en leefstijladviseur?

Slide 44 - Open question

De hoeveelheid totaal vet zegt nog niet alles over de voedingswaarde van een product. We moeten ook bekijken welk type vet erin zit, hoeveel verzadigd vet het bevat en welke andere voedingsstoffen aanwezig zijn. Noten bevatten bijvoorbeeld relatief veel vet, maar vooral onverzadigde vetten en daarnaast eiwit en vezels. Ook de portiegrootte en hoe vaak iemand het product gebruikt zijn belangrijk. Daarom beoordelen we het product in samenhang met het totale voedingspatroon.
Lesplanning
  • Klassikale uitleg: Vetten en gezondheid.
  • Wat gebeurt er in het bloed?
  • Klassikale uitleg: Van scheikunde naar leefstijladvies.
  • Van vaktaal naar cliëntentaal.
  • Quiz-time.

Slide 45 - Slide

This item has no instructions

Aan de slag! - Van vaktaal naar cliëntentaal

Maak les 5 - lesopdracht 2 







Slide 46 - Slide

This item has no instructions

Lesplanning
  • Klassikale uitleg: Vetten en gezondheid.
  • Wat gebeurt er in het bloed?
  • Klassikale uitleg: Van scheikunde naar leefstijladvies.
  • Van vaktaal naar cliëntentaal.
  • Quiz-time.

Slide 47 - Slide

This item has no instructions

Welk effect kunnen industriële transvetten hebben op LDL en HDL?
A
LDL daalt en HDL stijgt.
B
LDL stijgt en HDL daalt.
C
LDL en HDL stijgen beide.
D
LDL en HDL veranderen niet.

Slide 48 - Quiz

This item has no instructions

Waarom kunnen onverzadigde vetten gunstig zijn wanneer zij verzadigde vetten vervangen?
A
Omdat onverzadigde vetten geen calorieën bevatten.
B
Omdat onverzadigde vetten niet worden opgeslagen door het lichaam.
C
Omdat onverzadigde vetten altijd uit plantaardige producten komen.
D
Omdat onverzadigde vetten kunnen bijdragen aan een gunstige samenstelling van bloedlipiden.

Slide 49 - Quiz

This item has no instructions

Welke uitspraak over cholesterol is het meest juist?
A
Cholesterol is altijd slecht voor de gezondheid.
B
Voedingscholesterol bepaalt altijd het cholesterolgehalte in het bloed.
C
Het lichaam heeft cholesterol nodig voor onder andere celmembranen en hormonen.
D
Mensen mogen maximaal drie eieren per week eten.

Slide 50 - Quiz

This item has no instructions

Een cliënt zegt: "Vet is ongezond." Welke reactie past het best bij een leefstijladviseur?
A
Dat klopt, je kunt vetten beter helemaal vermijden.
B
Alleen plantaardige vetten zijn gezond.
C
Niet alle vetten zijn hetzelfde. Het gaat om de soort vet, de hoeveelheid en het totale voedingspatroon.
D
Vetten hebben geen functie in het lichaam.

Slide 51 - Quiz

This item has no instructions

Welke uitleg is het meest geschikt voor een cliënt zonder voedingsachtergrond?
A
"Onverzadigde vetzuren kunnen bijdragen aan een gunstiger bloedlipidenprofiel."
B
"LDL-waarden reageren op verschillen in vetzuursamenstelling."
C
"Meervoudig onverzadigde vetzuren optimaliseren het cholesteroltransport."
D
"Kies wat vaker voor noten, vis en plantaardige oliën in plaats van sterk bewerkte snacks."

Slide 52 - Quiz

This item has no instructions

Leerdoelen
Jij:
- kunt uitleggen waarom transvetten ongunstig zijn voor de gezondheid;
- kunt het effect van verschillende vetten op de gezondheid uitleggen.
- kunt dit vertalen naar voedingsadvies;
- kunt de scheikundige eigenschappen van voedingsstoffen koppelen aan hun effect in het lichaam;
- kunt scheikundige kennis over voedingsstoffen vertalen naar begrijpelijke uitleg voor cliënten;
- kunt scheikundige kennis gebruiken bij het beoordelen van voedingskeuzes en etiketten.


Slide 53 - Slide

This item has no instructions