Spelling: meervoud, verkleinwoorden en werkwoorden

Spelling: meervoud, verkleinwoorden en werkwoorden
1 / 12
next
Slide 1: Slide
NederlandsPrimary EducationSecondary EducationAge 13

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 20 min

Items in this lesson

Spelling: meervoud, verkleinwoorden en werkwoorden

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Wat betekent meervoud?
A
2 dingen
B
meer dan 1
C
3 dingen
D
meer dan 3

Slide 3 - Quiz

Wat is het meervoud van aardbei?

Slide 4 - Open question

Wat is het meervoud van garage?

Slide 5 - Open question

Welk woord is GEEN meervoud
A
politici
B
tandarts
C
media
D
boeken

Slide 6 - Quiz

Wat is het meervoud van post-it?
een post-it - twee ......
A
post-itten
B
post-itjes
C
post-its
D
posts-it

Slide 7 - Quiz

Bij het meervoud met -en, moet je soms nog wat veranderen.
A
waar
B
niet waar

Slide 8 - Quiz

Wat is het meervoud van banaan?
A
bananen
B
banaans
C
banaanen
D
banaannen

Slide 9 - Quiz

Wat is het meervoud van schroef?
A
schroefs
B
schroefen
C
schroeven
D
schroevs

Slide 10 - Quiz

Wat is het meervoud van kip?
A
kipen
B
kips
C
kippen
D
kippens

Slide 11 - Quiz

Wat is het meervoud van boot?
A
boten
B
booten
C
boots
D
botten

Slide 12 - Quiz