Herhaling demografie en dementie (toets 1)

Herhaling demografie en dementie
1 / 26
next
Slide 1: Slide
VerpleegkundeHoger onderwijs

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Herhaling demografie en dementie

Slide 1 - Slide

Wat zijn de socio- economische gevolgen rond ouder worden?

Slide 2 - Open question

Welke stelling is juist rond geriatrie?

A
Vanaf je +65 jaar ben je een geriatrische patiënt
B
Geriatrie is de wetenschap die zich bezighoudt met natuurlijke veroudering in al haar vormen
C
Op geriatrie gaan verpleging en artsen zich richten op één ziektebeeld waar de ouderen op dat moment mee te maken heeft.
D
Geriatrie is een (medisch) specialisme dat zich richt op ouderen die een complex ziektebeeld tonen als gevolg van stoornissen in lichamelijke en geestelijke functies

Slide 3 - Quiz

Demografie
Over welke theorie van ouder worden gaat het hier?

Slide 4 - Slide

Activering en reactivering zijn zeer belangrijk!
A
Deficit model
B
Rust- roest model Activiteitentheorie
C
Rust- roest model Onthechtingstheorie
D
Zorg op maat

Slide 5 - Quiz

Een verzorgingsmodel dat de nadruk legt op tekorten en achteruitgang
A
Deficit model
B
Rust- roest model Activiteitentheorie
C
Rust- roest model Onthechtingstheorie
D
Zorg op maat

Slide 6 - Quiz

De oudere doet er goed aan zich geleidelijk terug te trekken uit het actieve leven
A
Deficit model
B
Rust- roest model Activiteitentheorie
C
Rust- roest model Onthechtingstheorie
D
Zorg op maat

Slide 7 - Quiz

We moeten er ons bij neerleggen dat ouderen niet (veel) meer kunnen
A
Deficit model
B
Rust- roest model Activiteitentheorie
C
Rust- roest model Onthechtingstheorie
D
Zorg op maat

Slide 8 - Quiz

De oudere beslist waar en hoe de zorgen zullen worden uitgevoerd
A
Deficit model
B
Rust- roest model Activiteitentheorie
C
Rust- roest model Onthechtingstheorie
D
Zorg op maat

Slide 9 - Quiz

Wat heb je tot op heden onthouden over dementie?

Slide 10 - Mind map

Herhaling werking van het geheugen
Filmpje werking van het geheugen

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Link

Welke uitspraak gaat over dementie?
A
Er zijn meer dan alleen maar geheugenproblemen
B
Bijna elke oudere heeft het
C
De vergeetachtigheid heeft alleen betrekking op het geheugen
D
Het geheugenverlies is normaal

Slide 13 - Quiz

Welke stelling behoort niet bij Alzheimer dementie?
A
Het is de meest voorkomende vorm van dementie
B
In het begin meestal aantasting KTG en later ook LTG
C
Heeft vaak een zeer snel en schommelend verloop
D
Een opvallend kenmerk kan plukken en prutsen zijn

Slide 14 - Quiz

Het is vaak zeer moeilijk om deze diagnose te stellen in het begin omdat er symptomen zijn die erg gelijken op Parkinson en Alzheimer
A
Lewy- Body dementie
B
Kosakov dementie
C
Fronto- temporale dementie
D
Vasculaire dementie

Slide 15 - Quiz

Vaak is er obsessief en dwangmatig gedrag aanwezig en is er al vaak in een vroeg stadium karakterverandering
A
Lewy-Body dementie
B
Fronto- temporale dementie
C
Vasculaire dementie
D
Alzheimerdementie

Slide 16 - Quiz

Waarom is het stellen van de diagnose dementie zo belangrijk?

Slide 17 - Open question

Symptomen van verwardheid doen zich soms plots en fluctuerend voor. Er is een toename 's avonds en 's nachts
A
Delier
B
Dementie
C
Depressie
D
Diabetes

Slide 18 - Quiz

Welke verpleegproblemen bij personen met dementie heb je onthouden?

Slide 19 - Mind map

Geef voorbeelden van decorumverlies

Slide 20 - Mind map

Noteer twee interventies bij decorumverlies

Slide 21 - Mind map

Jan heeft dementie. Vanochtend was hij zijn haren aan het kammen met een vork.

A
Afasie
B
Agnosie
C
Apraxie
D
Allergie

Slide 22 - Quiz

Marie staat voor haar deur en is haar sleutels kwijt. Ze vraagt je: "Wil je even meezoeken naar,... hoe noem je dat nu ook weer? Mijn, verdorie toch!"
A
Afasie
B
Apraxie
C
Agnosie
D
Aspegie

Slide 23 - Quiz

Wat zijn confaluaties?

Slide 24 - Open question

Geef 2 interventies bij confabulaties

Slide 25 - Open question

Ben je klaar voor de eerste deeltoets?
A
Ja
B
Neen

Slide 26 - Quiz