2 th - les 6 Formuleren $ 3 + Grammatica $ 9

2 th - les 6 Formuleren $ 3 + Grammatica $ 9
1 / 21
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 21 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

2 th - les 6 Formuleren $ 3 + Grammatica $ 9

Slide 1 - Slide

Huiswerk
Pv samengestelde zin

Slide 2 - Slide

Lezen
timer
15:00

Slide 3 - Slide

Vandaag
Formuleren 3 'Variatie in zinsopbouw'
Grammatica 9 'Hoofd- en bijzinnen'

Slide 4 - Slide

Spoedcursus ontleden
Persoonsvorm

Onderwerp

Ander zinsdeel

Slide 5 - Slide

De persoonsvorm

Kenmerken van de persoonsvorm:

  • Het is altijd een werkwoord
  • Aan de persoonsvorm kun je zien in welke tijd de zin staat en je kunt zien of het om één of meer personen/dingen gaat.


Hoe vind je de persoonsvorm dan?

  • De vraagproef; de pv komt vooraan de vraagzin te staan.
  • De tijdproef; de pv verandert mee als de tijd van de zin verandert.

Slide 6 - Slide

Het onderwerp
- Wie/wat + pv? Het antwoord op deze vraag is het onderwerp.

De hond eet zijn brokjes op.

Wie eet?
Onderwerp:  de hond  
Let op: je moet ook het lidwoord meenemen in het onderwerp

Slide 7 - Slide

Ander zinsdeel
PV: gevonden  (Vraagzin/werkwoord = vorm die bij de persoon hoort)

Onderwerp: gevonden (Wie het doet)

Ander zinsdeel = alles wat overblijft

Slide 8 - Slide

Variatie in zinsopbouw
1) Op haar zeventiende verjaardag is hij daarmee begonnen.

2) Hij is daarmee begonnen op haar zeventiende verjaardag.

OPA

Slide 9 - Slide

Variatie in zinsopbouw
1) Mijn broer geeft zijn vriendin elk jaar voor haar verjaardag een roos.

2) Elk jaar geeft mijn broer zijn vriendin voor haar verjaardag een roos.

OPA?
Onderwerp? Persoonsvorm? Ander zinsdeel?

Slide 10 - Slide

Variatie in zinsopbouw
Je hebt geleerd dat een tekst saai wordt als je vaak dezelfde woorden gebruikt. Hetzelfde geldt voor de zinsopbouw: de volgorde van de zinsdelen. 

Van nature begin je een zin vaak met het onderwerp (hier afgekort als O). Daarna komt de persoonsvorm (P) en vervolgens een ander zinsdeel (A): onderwerp – persoonsvorm – ander zinsdeel (OPA). Maar als alle zinnen beginnen met het onderwerp, wordt dat vervelend voor de lezer of luisteraar.

Slide 11 - Slide

Variatie in zinsopbouw
OPA

O- Onderwerp
P- Persoonsvorm
A- ander zinsdeel
Maken blz 238:
2 t/m 4
4) In classroom
timer
20:00

Slide 12 - Slide

Grammatica
Hoofd- en bijzinnen

Een samengestelde zin kan bestaan uit:
- twee of meer hoofdzinnen
- een hoofdzin en één of meer bijzinnen
- één of meer hoofdzinnen met één of meer bijzinnen

Slide 13 - Slide

Grammatica
DUS ALTIJD MINIMAAL ÉÉN HOOFDZIN

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Oefenen: schrijf mee!
Opdracht 4 blz 223

1. De man fietste op de Parallelweg toen hij een lekke achterband kreeg.
2. Op veel plaatsen viert men carnaval en de optocht trekt dan veel publiek.

Slide 16 - Slide

Oefenen: schrijf mee!
Opdracht 4 blz 223

3. Nadat Sybrand zijn kamer had opgeruimd, ging hij met een paar vrienden gamen.
4. Als je goed oplet, zul je merken dat samengestelde zinnen echt niet zo lastig zijn.

Slide 17 - Slide

Oefenen: schrijf mee!
Opdracht 4 blz 223

5. Jonge vogels sterven vaak vroeg doordat katten op ze jagen, want dat zijn roofdieren.
6. Omdat er onvoldoende wind stond, konden we dit weekend niet kitesurfen, wat voor ons een grote teleurstelling was.

Slide 18 - Slide

Opdracht 5 (inzicht!)
a) Veel mensen vinden een kat een schattig huisdier.

Slide 19 - Slide

Aan de slag
Maken opdracht 1+ 2

Slide 20 - Slide

Huiswerk
Maken: Formuleren 238, opdracht
Grammatica 222, opdracht 2

Slide 21 - Slide