H3: Over taal

Over taal H3:

tweelingfouten, taalvariatie en woordenschat

  • Nieuwe woorden met betekenis
  • Tweelingfouten
  • Taalvariatie
1 / 25
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Over taal H3:

tweelingfouten, taalvariatie en woordenschat

  • Nieuwe woorden met betekenis
  • Tweelingfouten
  • Taalvariatie

Slide 1 - Slide

Nakijken Spelling 
Opdracht 3 + 4
TB: Blz. 130

Slide 2 - Slide

Opdracht 3
1. De vetgedrukte woorden in kolom A verwijzen naar zaken of dingen. De vetgedrukte woorden in kolom B verwijzen naar personen.
2. Eingen antwoord. Bijvoorbeeld:
A. Na het concert waren van de cd's slechts enkele over
B. Na het concert waren van de fans slechts enkelen over. 

Slide 3 - Slide

Opdracht 4
1. Laatste
2. enkele
3. verscheidene
4. sommigen, anderen
5. vele
6. eersten
7. langsten
8. enigen

Slide 4 - Slide

Lesdoelen
- Je kent de betekenis van verschillende schooltaalwoorden en moeilijke woorden.
- Je herkent tweelingfouten.
- Je kent verschillende vormen van taalgebruik (taalvariatie).

Slide 5 - Slide

Over taal H3

- Betekenis woorden

- Tweelingfouten 

- Taalvariatie

Slide 6 - Slide

Tweelingfouten
Leggen - liggen
Kennen - kunnen
Als - dan
omdat - doordat
Mits - tenzij
Blijkbaar - schijnbaar
Rede - reden

Slide 7 - Slide

Die tv is groter ... die van ons.
A
als
B
dan

Slide 8 - Quiz

Mijn cijfer is even goed ....... de jouwe.
A
als
B
dan

Slide 9 - Quiz

Tweelingfouten
Die tv is groter dan die van ons.
Mijn cijfer is even goed als de jouwe.

Bij ongelijkheid = dan
Bij gelijkheid = als

Slide 10 - Slide

Vul in:
Zij ......... wel verdwaald zijn.
A
kennen
B
kunnen
C
ken
D
kan

Slide 11 - Quiz

Vul in:
Misschien snap je het nu net zo goed ....... ik.
A
als
B
dan

Slide 12 - Quiz

Vul in:
Blijf alsjeblieft van ..... telefoon af!
A
me
B
mijn

Slide 13 - Quiz

De volgende betekenissen moet je weten voor de toets!

Slide 14 - Slide

1 Leggen = iets neerleggen


2 Kennen = weten (kennis)

3 Als = bij gelijkheid

4 Omdat = reden

5 Mits = op voorwaarde dat

6 Blijkbaar = je kunt het zien

7 Rede = toespraak

8 Te danken aan = positieve oorzaak

9 Met de hulp van = hulp van iemand

10 Me = persoonlijk voornaamwoord

1 Liggen= zich in liggende toestand bevinden

2 Kunnen = iets doen

3 Dan = bij ongelijkheid
4 Doordat = oorzaak
5 Tenzij = behalve als
6 Schijnbaar = het is niet echt zo
7 Reden = argument / oorzaak
8 Te wijten aan = negatieve oorzaak
9 Met behulp van = met hulp van iets
10 Mijn = bezittelijk voornaamwoord


Slide 15 - Slide

Taalvariatie
- Standaardtaal
- Dialect
- Regiolect
- Groepstaal

Slide 16 - Slide

Taalvariatie
Standaardtaal
  • Het ABN (algemeen beschaafd Nederlands)
  • Taalunie
  • www.woordenlijst.org
  • Gebruik op scholen, bij instanties en organisaties en in formele situaties

Slide 17 - Slide

Taalvariatie
Regiolect
  • Zit tussen de standaardtaal en dialect in
  • Dialecten groeien naar elkaar toe en krijgen gezamenlijk één taal
  • Limburgs

Slide 18 - Slide

Taalvariatie
Dialect
  • Streektaal
  • Variatie op het ABN
  • Informele situaties
  • Haags, Zuid-Limburgs

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Video

Slide 21 - Link

Taalvariatie
Groepstaal
  • Straattaal
  • Vaktaal
  • Gesproken door een bepaalde groep

Slide 22 - Slide

Welke woorden die horen bij
deze regio ken je?

Slide 23 - Mind map

Huiswerk: Voor 2 lessen
Over taal H3:
- Opdracht 1 - 2 (moeilijke woorden met betekenis)  (woensdag)
- Opdracht 3 (tweelingfouten) (woensdag)
- Opdracht 5 (vrijdag)
- Opdracht 8 - 10 (taalvariatie) (vrijdag)

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Link