1. Eén minuut bedenktijd: leerlingen bedenken vier dingen die ze leuk vinden en twee die ze niet leuk vinden. Alleen steekwoorden opschrijven, bijvoorbeeld pizza, bailar, los gatos, los deberes.
2. Op zoek naar een match: iedereen staat op en zoekt een gesprekspartner. Om de beurt noemen ze iets en vragen: «¿Y a ti?» De ander reageert met:
- A mí también. - A mí tampoco. - A mí sí. - A mí no.
3. Vergelijken: na vier uitspraken samen tellen ze hoeveel overeenkomsten ze hebben. Daarna zoeken ze een nieuwe partner. Kunnen ze iemand vinden met wie ze het vier keer eens zijn?
Doe eerst dit voorbeeld met een leerling:
— A mí me gusta dormir. ¿Y a ti?
— A mí también.
— A mí no me gustan los exámenes. ¿Y a ti?
— A mí tampoco.
Spelregel: je mag geen los sí of no zeggen; je begint altijd met «A mí…».
Sluit af met: “Wie heeft zijn Spaanse tweeling gevonden?” Laat twee duo’s hun overeenkomsten voordoen.