3H herhaling Lezen blok 1 t/m 3 Op NIveau

Leesvaardigheid
Herhaling blok 1 t/m 3
vaste onderdelen van een tekst
tekstverbanden en signaalwoorden
functies van alinea's (functiewoorden)
tekststructuren deel I

1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Leesvaardigheid
Herhaling blok 1 t/m 3
vaste onderdelen van een tekst
tekstverbanden en signaalwoorden
functies van alinea's (functiewoorden)
tekststructuren deel I

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

timer
2:00
Inleiding
slot
middenstuk
1 à 2 alinea's
1 à 2 alinea's
conclusie
een of meerdere vragen stellen
aanleiding vertellen
onderwerp aankondigen
functie is aandacht treken
functie: opbouw/tekststructuur vertellen
functie: hoofgedachte uitwerken
functie: deelonderwerpen bespreken
samenhang door verbindingsmanieren
samenvatting
meerdere alinea's
functie: tekst afsluiten
oproep doen
aanbeveling maken

Slide 2 - Drag question

This item has no instructions

In welk deel van de tekst verwacht je onderstaande zinnen?
timer
2:00
Inleiding
Middenstuk
Slot
En daarom raad ik iedereen aan om meer televisie te kijken.
Televisie biedt bovendien de broodnodige ontspanning.
Het moge duidelijk zijn: televisiekijken is de beste invulling van je vrije tijd.
Zullen onze kleinkinderen nog weten wat een televisie is?
Voor velen zal het een bekend gevoel zijn: zo veel kanalen en toch zo weinig leuke programma's op tv.
Toch is het misschien te kort door de bocht om te zeggen dat er geen goede televisie meer wordt gemaakt.

Slide 3 - Drag question

This item has no instructions

     informeren                                                            overtuigen                       

                                                                                                                               

  
Het is de bedoeling dat als lezer iets gaat doen.
Nieuwsbericht in de krant of een tekst in een leerboek.
Dit zie je soms bij een recensie van een boek, maar het kan ook overtuigend zijn!
timer
1:00
beschouwen
activeren
Feitelijke informatie en objectief
Voor- en tegenargumenten bij een stelling.
Je herkent vaak een duidelijk standpunt van de schrijver.
column in de krant
reclame

Slide 4 - Drag question

This item has no instructions

Verbinding
  • groot - inleiding, kern, slot
  • klein - inzoomen op alinea's  en tekstdelen
  • Binnen alinea's kun je aanwijzingen vinden over de samenhang binnen de tekst
  • Functiewoorden: letterlijke aankondiging - aanleiding, voorbeeld, argument, gevolg, conclusie.
  • Signaalwoorden: geeft het karakter van het verband aan. Helpt je om te begrijpen waar de tekst over gaat en wat er volgt.

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Ken je de signaalwoorden nog?



Theorie: functies


functies en tekstverbanden herkennen



Check
Je kent de signaalwoorden en tekstverbanden om voor samenhang te zorgen; (herhaling)

Je kent functies van tekstgedeelten;

Je kunt tekstverbanden en functies benoemen.

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Sleep de signaalwoorden naar de bijbehorende tekstverbanden.
Let op: leer de tekstverbanden goed 
opsommend
tegenstellend
tijdsvolgorde (temporeel)
oorzaak-gevolg
toelichtend / voorbeeld
redengevend
voorwaardelijk
een andere
hoewel
voordat
hierdoor
bijvoorbeeld
tenzij
namelijk
want
als
toch
daarnaast
zoals bij
zodat
totdat
echter
indien

Slide 7 - Drag question

This item has no instructions

Functies
Als je weet wat de functie van een tekstgedeelte is, begrijp je de tekst beter.
Ieder tekstgedeelte heeft een eigen functie in de tekst.
Signaalwoorden helpen je om de functie te bepalen.
Vaak hebben teksten een vaste structuur.

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

0

Slide 9 - Video

This item has no instructions

neem deze theorie nog even goed door (blz. 126)
Lees deze theorie nu nog een keer (blz. 126)

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Slide 11 - Video

This item has no instructions

Lezen volgens tekststructuren

Slide 12 - Slide

This item has no instructions


Ik weet nog wat tekststructuren zijn
Ja, ik weet ze nog precies
Ik weet ze nog een beetje
Nee, helemaal vergeten wat dat zijn

Slide 13 - Poll

This item has no instructions

Lees deze theorie nu nog een keer:

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Probleem-en-oplossingstructuur
een beschrijving van een probleem 
bijv. leerachterstand door Corona
beschrijving van oorzaken, gevolgen en oplossingen van het probleem
een afweging
aanbeveling
de beste oplossing
info
Een tekst met een probleem-en-oplossingstructuur is meestal een betoog. De auteur beschrijft in de inleiding het probleem, in het middenstuk presenteert hij een of meer oplossingen en in het slotgedeelte geeft hij aan op welke manier het probleem het beste kan worden opgelost.
De hoofdvraag is: op welke manier(en) kan het probleem worden opgelost?

Slide 15 - Slide

Een tekst met een probleem-en-oplossingstructuur is meestal een betoog. De auteur beschrijft in de inleiding het probleem, in het middenstuk presenteert hij een of meer  oplossingen en in het slotgedeelte geeft hij aan op welke manier het probleem het beste  kan worden opgelost. 
De hoofdvraag is: op welke manier(en) kan het probleem worden opgelost?
Als de schrijver alleen mogelijke oplossingen geeft, heb je te maken met een uiteenzetting of een beschouwing.
Geeft de schrijver ook aan wat de beste oplossing is, dan heb je te maken met een betoog.

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Verschijnsel-en-verklaringsstructuur
bepaald verschijnsel, b.v. vulkaanuitbarsting
Verschillende verklaringen:
kenmerken, voorbeelden, verklaring(en), oorzaken, reden(en)
samenvatting
aanbeveling
de beste verklaring

Slide 17 - Slide

Bij de verschijnsel-en-verklaringstructuur bespreekt de schrijver in de inleiding een
bepaald verschijnsel. In het middenstuk somt hij mogelijke verklaringen op. Als het om een negatief verschijnsel gaat, noemt hij ook vaak oplossingen. Het slot bevat een
samenvatting of een aanbeveling.
De hoofdvraag is: welke verklaringen zijn er voor dit verschijnsel te geven?
Als de schrijver alleen verklaringen opsomt, heb je te maken met een uiteenzetting of een beschouwing.
Kiest de schrijver duidelijk voor een verklaring, of geeft hij ook oplossingen, dan heb je te maken met een betoog.

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Verschijnsel-en-besprekingstructuur
bepaald verschijnsel, b.v. hongersnood in Afrika
bespreking van verschillende kanten van het verschijnsel. M.a.w.: zowel de positieve als negatieve kanten worden besproken
samenvatting

Slide 19 - Slide

In een tekst met de verschijnsel-en-besprekingsstructuur noemt de schrijver in de inleiding een verschijnsel. In het middenstuk onderscheidt en beschrijft hij allerlei aspecten van dit verschijnsel. Het slot bevat meestal een samenvatting. 
De hoofdvraag is: welke aspecten kent dit verschijnsel?
Een tekst met een verschijnsel-en-besprekingstructuur is vrijwel altijd een uiteenzetting of een beschouwing.

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Waarom tekststructuren?
  • Tekststructuur is de opbouw van een tekst.
  • Veel teksten zijn opgebouwd volgens een vaste structuur.
  • Je begrijpt de tekst er beter door.
  • Boek: vijf tekststructuren.
  • In blok 3 zijn er drie tekststructuren behandeld.
  • We gaan ze nu even herhalen.

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Een tekst kan altijd maar één tekststructuur hebben.
A
waar
B
niet waar

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Als je een tekststructuur in de tekst herkent, weet je ook tot welke tekstsoort deze behoort.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions


Welke tekststructuur kun je bij een uiteenzetting én bij een beschouwende tekst gebruiken?
A
verschijnsel-en-besprekingstructuur
B
verschijnsel-en-verklaringstructuur
C
probleem-en-oplossingstructuur

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Welke tekststructuur past het beste bij het volgende onderwerp?
Het Coronavirus in Nederland
A
probleem-en-oplossingstructuur
B
verschijnsel-en-verklaringstructuur
C
verschijnsel-en-besprekingstructuur

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Welke tekststructuur past het beste bij het volgende onderwerp?
Onderwijs op afstand
A
Probleem-en-oplossingstructuur
B
verschijnsel-en-verklaringstructuur
C
verschijnsel-en-besprekingstructuur

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

Welke tekststructuur hierbij?Contactverbod als maatregel om het Coronavirus de baas te worden
A
probleem-en-oplossingstructuur
B
verschijnsel-en-verklaringstructuur
C
verschijnsel-en-besprekingstructuur

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

Huiswerk?
Ja, graag. Ik wil deze lesstof graag goed beheersen.
Nee, hoeft niet. Lukt wel zonder te leren en te oefenen.

Slide 28 - Poll

This item has no instructions

Huiswerk
Leer de theorie op blz. 126 + 128
Bestudeer de theorie op blz. 173 + 174
Maak Lezen blok 4 opdracht 1 op blz . 171 als je die nog niet (helemaal) hebt gemaakt

Slide 29 - Slide

This item has no instructions