H1 werken voor de winst

H1 werken voor de winst
1 / 75
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

This lesson contains 75 slides, with text slides and 7 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

H1 werken voor de winst

Slide 1 - Slide

Paragraaf 1 - produceren
Leerdoelen
-Ik kan uitleggen wat je nodig hebt om te kunnen produceren en voorbeelden geven van de drie productiefactoren.
-Ik kan uitleggen in welke sectoren je de productie kunt indelen en voorbeelden geven van de verschillende sectoren.
-Ik kan uitleggen wat de verschillen zijn tussen zwart-, wit- en grijswerk.

Slide 2 - Slide

huiswerk bespreken + herhaling
toepasvragen en rekentrainer 

Slide 3 - Slide

rekentrainer 1 

Slide 4 - Slide

Productiefactoren
4 productiefactoren:
  • Natuur 
  • Arbeid
  • Kapitaal
  • (ondernemerschap)

Slide 5 - Slide

De marktsector/collectieve sector
Marktsector/ Particuliere sector
  • Streeft naar winst/ gemaakte kosten terugverdienen
  • 75 % beroepsbevolking

Collectieve sector
  • Overheid, gezondheidszorg en onderwijs (streeft niet naar winst)
  • 25% beroepsbevolking

Slide 6 - Slide

Productiesectoren

1. Primaire sector

2. Secundaire sector

3. Tertiaire sector

4. Quartaire sector
Quartaire dienstverlening:
Niet-commerciële dienstverlening
Tertiaire sector:
commerciële dienstverlening
Secundaire sector:
De industrie, de bouw en ambachtelijke bedrijven
Verwerken grondstoffen tot producten
Primaire sector:
Landbouw, visserij en de winning van delfstoffen

Slide 7 - Slide

Wit, grijs of zwart werk?

Slide 8 - Slide

H1 paragraaf 2 
Leerdoelen
Ik kan de winkelprijs (verkoopprijs inclusief btw) berekenen.
Ik kan uitleggen wat btw is en de btw berekenen.
Ik kan de afzet, verkoopopbrengst (omzet), verkoopprijs exclusief btw en brutowinst bepalen.

Slide 9 - Slide

Afzet en Omzet 
Afzet= aantal producten dat je verkoopt.

Omzet= afzet x verkoopprijs

Slide 10 - Slide

BTW
BTW = Belasting over de Toegevoegde Waarde
  • Indirecte belasting 
  • 9% BTW - basisbehoeften
  • 21% BTW - overige behoeften

Slide 11 - Slide

Inclusief BTW
Exclusief BTW
Of: 

Slide 12 - Slide

Bruto en Netto winst 
Verkoop (omzet)  - Inkoopwaarde  =  Brutowinst          

Bruto winst - Bedrijfskosten = Netto winst  (of verlies)

verkoop- inkoop = bruto winst - kosten = netto winst

Slide 13 - Slide

Bruto en Netto winst
Omzet (Verkoop)  = verkoopprijs x aantal
         
Inkoop = inkoopprijs x aantal 

Verkoop - Inkoop = Bruto winst
 
 verkoop= omzet

Slide 14 - Slide

Opdracht 6

Slide 15 - Slide

H1 paragraaf 2 > huiswerk
Opdracht 6 t/m 11 en rekentrainers paragraaf 2 

Slide 16 - Slide

Vandaag
  • Huiswerk bespreken > H1 paragraaf 2 opdracht 7 t/m 11 en de rekentrainers
  • uitleg paragraaf 3
  • maken opdracht ... en rekentrainer paragraaf 3 

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Rekentrainer paragraaf 2 

Slide 20 - Slide

Rekentrainer paragraaf 2 

Slide 21 - Slide

Herhaling paragraaf 2
Hoe bereken je de omzet?
Hoe bereken je de brutowinst?
Hoe bereken je de nettowinst?

Slide 22 - Slide

H1 paragraaf 3 
Leerdoelen
  • Ik kan verschillende bedrijfskosten noemen en onderverdelen.
  • Ik kan uitleggen wat de nettowinst is en de nettowinst berekenen.
  • Ik kan uitleggen wat de kostprijs is en de kostprijs berekenen.

Slide 23 - Slide

Bedrijfskosten
Bedrijfskosten zijn kosten die de onderneming maakt en die aan klanten worden doorberekend in de verkoopprijs.

Noem eens voorbeelden van bedrijfskosten.....

Slide 24 - Slide

Bedrijfskosten
Bijvoorbeeld:
Inkoopkosten
Personeelskosten
Huisvestingskosten

Slide 25 - Slide

Soorten bedrijfskosten

Slide 26 - Slide

Vaste en variabele kosten
vaste kosten
  • huisvesting
  • rentekosten
  • personeelskosten?
  • contributies
variabele kosten
  • schoonmaak
  • wasserij
  • personeel?

Slide 27 - Slide

vast of variabel?

Slide 28 - Slide

Afschrijvingskosten berekenen 

Slide 29 - Slide

Nettowinst berekenen 

Slide 30 - Slide

Bedrijfskosten berekenen
c: wat zijn de kosten van 1 broek?
d: hij verkoopt de broek voor €63. hoeveel winst maakt hij dan?
e: 

Slide 31 - Slide

soorten bedrijfskosten
1. benoem de verschillende bedrijfskosten per sector
2. bereken de kosten per sector
3. Judith heeft een jaaromzet van € 83.000 en geen inkoopwaarde van de verkopen.
Hoeveel is haar nettowinst of verlies in een jaar?
4. Judith kocht de bestelauto voor € 23.900 en verkoopt deze na vier jaar voor € 11.000.
Hoeveel moet zij maandelijks afschrijven op deze auto?




Slide 32 - Slide

Wat is het resultaat? 
Bij de verkoop behaal je brutowinst.
Daarvan moet je nog alle bedrijfskosten betalen.
Wat aan het eind overblijft is het nettoresultaat.
 Dit kan nettowinst of nettoverlies zijn.






Slide 33 - Slide

Huiswerk
H1 paragraaf 3 opdracht 8 t/m 13 en rekentrainer paragraaf 3 

Slide 34 - Slide

Vandaag in de les
 H1 paragraaf 3 bespreken en rekentrainer paragraaf 3 maken + opdracht 1 t/m 5 van paragraaf 4

Slide 35 - Slide

Herhaling paragraaf 3
Wat zijn bedrijfskosten?

Wat zijn variabele kosten?
Wat zijn vaste kosten?
Wat zijn afschrijvingskosten?


Slide 36 - Slide

Slide 37 - Slide

Rekentrainer paragraaf 3 

Slide 38 - Slide

H1 paragraaf 4 
Leerdoelen
Ik kan uitleggen wat de brutowinstopslag is.
Ik kan met behulp van de brutowinstopslag de verkoopprijs berekenen.
Ik kan de verkoopprijs exclusief en inclusief btw berekenen.

Slide 39 - Slide

De brutowinstopslag
Een winkelier rekent de verkoopprijs van een artikel uit door de inkoopprijs van dat artikel met een bedrag te verhogen. Dat bedrag is de brutowinstopslag. De brutowinstopslagen van alle verkochte artikelen samen vormen de brutowinst. Van de brutowinst worden de bedrijfskosten betaald. Wat er dan nog overblijft, is de nettowinst.

Slide 40 - Slide

Brutowinstopslag
  • Brutowinstopslag = het verschil tussen de verkoopprijs en de inkoopprijs.
  • De brutowinstopslag bepaalt de verkoopprijs.
  • Dit is in % van de inkoopprijs.
  • Formule: verkoopprijs = inkoopprijs + brutowinstopslag

Slide 41 - Slide

Huiswerk bespreken
H1 paragraaf 4 opdracht 1 t/m 5 en rekentrainer paragraaf 4

Slide 42 - Slide

Slide 43 - Video

Slide 44 - Video

Slide 45 - Video

Slide 46 - Video

Slide 47 - Video

Slide 48 - Link

Slide 49 - Link

Slide 50 - Link

Slide 51 - Link

Berekeningen in deze paragraaf:
• brutowinstmarge in procenten van de inkoopwaarde = (brutowinst : inkoopwaarde) × 100
• brutowinstopslag (in geld) = 
inkoopprijs : 100 × brutowinstmarge (in procenten van de inkoopwaarde)
• verkoopprijs exclusief btw = inkoopprijs + brutowinstopslag
• winkelprijs = verkoopprijs exclusief btw + btw

Slide 52 - Slide

Vraag 5 en 6
T2
Vraag 7
Andere vragen bekijken
Examen2025 dog4fun

Slide 53 - Slide

Vandaag 
huiswerk bespreken
H1 paragraaf 4 opdracht 6, 7, 8, 10, 11 en 12
H1 paragraaf 5 opdracht  1 t/m 5 

Maken
H1 paragraaf 5 opdracht 6 t/m 12 en rekentrainers paragraaf 5

Slide 54 - Slide

Vandaag
Bespreken: 
H1 paragraaf 5 opdracht 6 t/m 12 en rekentrainers paragraaf 5

Uitleg: H1 paragraaf 6

Maken: H1 paragraaf 6

Slide 55 - Slide

Nakijken
H1 paragraaf 5 opdracht 6 t/m 12 en rekentrainers paragraaf 5

Slide 56 - Slide

Samen maken
H1 paragraaf 6  opdracht 1 t/m 5 en leertekst lezen

Slide 57 - Slide

Uitleg
H1 paragraaf 6

- externe effecten
- maatschappelijke kosten en baten 
- maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO)

Slide 58 - Slide

Leerdoelen
  • Ik kan aangeven welke externe effecten de productie van bedrijven kan hebben op de maatschappij.

  • Ik kan uitleggen wat maatschappelijk verantwoord ondernemen is.

Slide 59 - Slide

Slide 60 - Video

Slide 61 - Video

Voorkennis activeren
  • Bedrijven zijn veel bezig met geld denk aan: afzet, omzet, inkoop, brutowinst, brutowinstmarge, brutowinstopslag, bedrijfskosten, netto winst. 
  • Wat weet je nog van leerjaar 3 over maatschappelijke kosten en baten?
  • Wat kunnen bedrijven hieraan doen en wat betekent dat voor de kosten van het bedrijf?

Slide 62 - Slide

Maatschappelijke kosten
 Productie en consumptie leiden tot maatschappelijke kosten

Slide 63 - Slide

Maatschappelijke kosten

Maatschappelijke kosten zijn de kosten van milieuvervuiling die door ons allemaal worden betaald.

Slide 64 - Slide

Externe effecten
Extern effect: gevolgen van consumptie en productie die niet in de prijs worden meegenomen maar wel de welvaart van andere beïnvloeden.

Negatieve externe effecten: Een extern effect waarbij de welvaart van de maatschappij afneemt.

Positieve externe effecten: Een extern effect waarbij de welvaart van de maatschappij toeneemt. 

Slide 65 - Slide

Wat doet de overheid met die externe effecten?
  • De positieve externe effecten stimuleren en negatieve externe effecten afremmen. 
  • Dit doen ze doormiddel van subsidies en accijns. 
  • Bijvoorbeeld accijns op alcohol. 
  • Subsidie op zonnepanelen. 

Slide 66 - Slide

• uitleggen wat positieve en negatieve externe effecten zijn
• voorbeelden van externe effecten van productie noemen, zoals sociale-, gezondheids- of milieueffecten
Evaluatie

Slide 67 - Slide

Huiswerk
H1 paragraaf 6 opdracht 6 t/m 11

Let op! Huiswerk voor woensdag 16-9 (extra les economie)

Slide 68 - Slide

Vandaag
Bespreken: H1 paragraaf 6 opdracht 6 t/m 11

Uitleg: H1 paragraaf 7

Maken: Opdracht 1 t/m 14 (1 t/m 6 en 8 samen)

Slide 69 - Slide

Voorkennis activeren
  • Welke marktvormen ken je nog?
  • Wat zijn heterogene producten?
  • Wat zijn homogene producten?

Slide 70 - Slide

Marktvormen

Slide 71 - Slide

Samen maken
Opdracht 1 t/m 5 in het boek
6 en 8 Lessonup (meeschrijven in je boek!)

Slide 72 - Slide

Slide 73 - Slide

Slide 74 - Slide

Huiswerk
H1 paragraaf 7 opdracht 7, 9, 10, 11, 12, 13 en 14.

Slide 75 - Slide