Handig rekenen: optellen en aftrekken tot 1000
Handig rekenen: optellen en aftrekken tot 1000
Wat weet jij al over optellen en aftrekken met getallen tot 1000?
Aan het einde van de les kun je:
- Getallen tot 20 en 1000 optellen en aftrekken zonder rekenmachine - Herkennen wanneer je deze sommen in de praktijk gebruikt
Hoofddoel: optellen t/m 20
Je kunt twee getallen onder de 20 zonder rekenmachine bij elkaar optellen.
Subdoel: splitsen en aanvullen
Je kunt getallen splitsen (bijv. 7 + 5 → 7 + 3 + 2) en aanvullen tot 10.
Waarom handig in de praktijk?
Bijvoorbeeld: als je 9 appels en 7 peren koopt, hoeveel stuks heb je dan samen?
Begripstoets: optellen t/m 20
Maak de som: 8 + 6 = ? Schrijf je antwoord op papier.
Hoofddoel: aftrekken t/m 20
Je kunt twee getallen onder de 20 zonder rekenmachine van elkaar aftrekken.
Subdoel: terugtellen en splitsen
Je kunt van een getal terugtellen (bijv. 15 - 7 → 15 - 5 - 2).
Waarom handig in de praktijk?
Bijvoorbeeld: je hebt 15 euro en koopt iets van 9 euro. Hoeveel houd je over?
Begripstoets: aftrekken t/m 20
Maak de som: 14 - 8 = ? Schrijf je antwoord op papier.
Hoofddoel: optellen t/m 1000
Je kunt twee getallen onder de 1000 zonder rekenmachine optellen.
Subdoel: handig rijgen en splitsen
Je gebruikt het rijgen (stapelen) van getallen en splitsen in honderdtallen, tientallen, eenheden.
Praktijkvoorbeeld: optellen
Je telt eerst honderdtallen (200+500), dan resten (30+80).
Je spaart voor een fiets (€580) en hebt al €230 gespaard. Hoeveel heb je samen?
Situatie
Toepassing
Begripstoets: optellen t/m 1000
Los deze som op: 385 + 126 = ?
Hoofddoel: aftrekken t/m 1000
Je kunt twee getallen onder de 1000 zonder rekenmachine van elkaar aftrekken.
Subdoel: handig rijgen bij aftrekken
Je gebruikt rijgen en splitsen om moeilijke getallen makkelijker te maken (bijv. 742 - 189).
Praktijkvoorbeeld: aftrekken
Toepassing
Eerst grote getallen aftrekken: 1000 - 250 = ?
Je koopt iets van €250 en betaalt €1000. Hoeveel krijg je terug?
Situatie
Begripstoets: aftrekken t/m 1000
Los deze som op: 763 - 248 = ?
Herhaling: alle doelen samengevat
Nu kun je optellen en aftrekken met kleine en grote getallen. Gebruik deze kennis in winkels, bij sparen of tijdens werk.
Controle: pas kennis toe
Bedenk zelf een situatie waarin je optellen of aftrekken tot 1000 nodig hebt. Schrijf de situatie en de som op.
Reflectie: wat heb je geleerd?
Noteer wat je nu beter begrijpt over optellen en aftrekken. Waar kun je dit morgen al gebruiken?
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.