This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 45 min
Items in this lesson
Talent 3.3 lezen
Slide 1 - Slide
Wat is Verkennend lezen?
A
Een tekst bekijken om een eerste indruk te krijgen
B
In een tekst zoeken naar een antwoord op een vraag
C
Een tekst helemaal lezen om het te begrijpen
D
Een tekst lezen om die te onthouden
Slide 2 - Quiz
Wat is GEEN tekstsoort met als tekstdoel informeren?
A
Nieuwsbericht
B
Instructie
C
Reclameposter
D
Handleiding
Slide 3 - Quiz
Wat is waar? inleiding-middenstuk-slot
A
Het middenstuk is het grootste gedeelte van de tekst.
B
Het eerste deel van de tekst heet het SLOT
Slide 4 - Quiz
Alinea's
Slide 5 - Slide
Alinea's bestaan uit...
Zinnen die bij elkaar horen.
Zinnen die over hetzelfde deelonderwerp gaan.
De inleiding is een alinea. De kern bestaat vaak uit meer alinea's. Het slot is een alinea.
Dus minimaal 3 alinea's!
Slide 6 - Slide
KERNZIN
Elke alinea heeft een kernzin.
Dat is de belangrijkste zin uit de alinea. Je kunt deze zin niet weglaten. Anders begrijp je de tekst niet meer.
Het is vaak de eerste of laatste zin van een alinea.
Slide 7 - Slide
Wat is de kernzin in dit stukje tekst? Emoji zijn symbolen die emoties of plaatjes weergeven. Je kunt er sneller informatie mee overbrengen dan met tekst. Er verschijnen regelmatig nieuwe emoji.
A
Emoji zijn - plaatjes weergeven
B
Je kunt - met tekst
C
Er verschijnen - nieuwe emoji
Slide 8 - Quiz
De kernzin staat bijna altijd aan het begin van de alinea.
A
Waar
B
niet waar
Slide 9 - Quiz
Hoofdzaken en bijzaken
De belangrijke informatie in een tekst noem je de hoofdzaken. Wat niet zo belangrijk is zijn de bijzaken.
Slide 10 - Slide
Hoofdzaken
Belangrijke informatie over het onderwerp van de tekst.
Inleiding
Slot
Kernzinnen
Signaalwoorden
Verbanden
Bijzaken
Minder belangrijke informatie, maken de hoofdzaken duidelijker.
voorbeeld
herhaling
uitleg
cijfers
details
Slide 11 - Slide
Bijzaken
Hoofdzaken
Kerzinnen
Toelichting
Voorbeelden
De belangrijkste zinnen van de alinea's.
Vormen samen de samenvatting van de tekst.
Minder belangrijke zaken
Slide 12 - Drag question
Sleep de zin naar het juiste antwoord
WAAR
NIET WAAR
Alle belangrijke informatie die over een onderwerp wordt gegeven, noem je hoofdzaken.
Minder belangrijke dingen noem je bijzaken.
Hoofdzaken maken de tekst duidelijker, leuker of beter te begrijpen
Bijzaken staan meestal aan het begin of aan het eind van een tekst
Slide 13 - Drag question
Tekstverbanden
Tussen woorden, zinnen en alinea's bestaat een verband. Dit noemen we een tekstverband. Zonder tekstverbanden is je tekst niet 'stevig'.
Slide 14 - Slide
Herhaling tekstverbanden
Je hebt dit jaar al 1 tekstverband geleerd:
tekstverband
signaalwoorden
opsomming
als eerste, daarna, bovendoen, daarnaast, vervolgens, ook, tot slot
Slide 15 - Slide
Signaalwoorden tegenstelling
maar
echter
daarentegen
toch
integendeel
Slide 16 - Slide
Wat is in deze zin het signaalwoord?
Ik zat daar te wachten, toch verveelde ik me niet.
A
toch
B
niet
C
zat
D
ik
Slide 17 - Quiz
Signaalwoorden
Tegenstelling
Opsomming
maar
en
toch
ook
tot slot
integendeel
zodra
echter
daarnaast
bovendien
Slide 18 - Drag question
Opdracht
Vul hierna het tegenovergestelde in
Slide 19 - Slide
Op school gaat de tijd meestal ..., maar vrije tijd juist snel voorbij.
Slide 20 - Open question
De weg naar het centrum is breed, maar de weg naar mijn huis is ...
Slide 21 - Open question
Helima is altijd bereikbaar, maar ik ben wel eens ....
Slide 22 - Open question
Wat betekent de aanleiding?
A
de context
B
de oplossing
C
de conclusie
D
de oorzaak, de reden
Slide 23 - Quiz
Hoe voel je je als je afgunstig bent?
A
tevreden
B
verbaasd
C
gelukkig
D
jaloers
Slide 24 - Quiz
Wat betekent inspecteren?
A
Iets negeren
B
Snel iets doen
C
Iets vernietigen
D
Kijken of het klopt
Slide 25 - Quiz
Wat is een fobie?
A
Normale bezorgdheid
B
Vreugdevolle verwachting
C
Ziekelijke angst
D
Gewone angst
Slide 26 - Quiz
Wat betekent gevleid?
A
verdrietig
B
vereerd, trots
C
boos, kwaad
D
verlegen
Slide 27 - Quiz
De postbode | gaf | het pakketje | aan de buren.
Wat is de persoonvorm?
A
gaf
B
de postbode
C
het pakketje
D
aan de buren
Slide 28 - Quiz
Laura | heeft | haar huiswerk | toch | gemaakt.
Wie of wat is het onderwerp?
A
Laura
B
haar huiswerk
C
toch
D
heeft gemaakt
Slide 29 - Quiz
Hebben | jullie buren | ook | een dure vakantie | geboekt | via die site?
Wat is het lijdend voorwerp?
A
jullie buren
B
via die site
C
een dure vakantie
D
hebben geboekt
Slide 30 - Quiz
Klopt dit?
In een zin zit altijd een lijdend voorwerp.
A
Ja
B
Nee
Slide 31 - Quiz
Hoeveel zinsdelen heeft deze zin:
Elke vrijdagavond hang ik lekker op de bank
A
2
B
3
C
4
D
5
Slide 32 - Quiz
Hoeveel zinsdelen heeft deze zin:
De komende jaren zal de temperatuur stijgen.
A
2
B
3
C
4
D
5
Slide 33 - Quiz
Wat is het gezegde in de volgende zin:
Gisteravond hebben veel mensen naar het nieuwe programma gekeken.
A
veel mensen
B
hebben
C
gekeken
D
hebben gekeken
Slide 34 - Quiz
Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin:
Onder de tafel heeft mijn vader een cadeautje verstopt voor mijn neefje
A
onder de tafel
B
mijn vader
C
een cadeautje
D
voor mijn neefje
Slide 35 - Quiz
Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin:
Gisteravond hebben mijn zus en ik een appeltaart gemaakt.
A
gisteravond
B
mijn zus en ik
C
gemaakt
D
een appeltaart
Slide 36 - Quiz
De verleden tijd van hij vindt is:
A
Hij vond
B
Hij vondt
C
Hij vinde
D
Hij vindde
Slide 37 - Quiz
Harry... (gaan, vt) tijdens de les Nederlands naar de tandarts
Slide 38 - Open question
Bas ... (kiezen, vt) de richting economie en ondernemen
Slide 39 - Open question
Anne ... (rijden, vt) een aantal kilometers te hard
Slide 40 - Open question
Wat is het meervoud van:
raam
Slide 41 - Open question
Wat is het meervoud van:
druppel
Slide 42 - Open question
Meervoud zelfstandig naamwoord (ZNW)
Woorden die eindigen op a - i - o - u - y krijgen +'s