Enkelvoud
Ik heb een fiets. => Het is mijn fiets.
Jij hebt een rugzak. => Het is jouw rugzak.
Zij heeft een auto => Het is haar auto.
Hij heeft een pen. => Het is zijn pen.
U heeft een boek. => Het is uw boek.
Meervoud
Wij hebben een sjaal. => Het is onze sjaal. (de sjaal)
Wij hebben een boek. => Het is ons boek. (het boek)
Jullie hebben een glas. => Het is jullie glas.
Zij hebben een tafel. => Het is hun tafel.
Wat is het bezittelijk voornaamwoord bij ik?
mijn
ik
mijn
me
Wat is het bezittelijk voornaamwoord bij jij?
je
jouw
jij
jou
Hoe zeg je het dat de pen van een meisje is?
zij pen
haar pen
zijn pen
hij pen
Hoe zeg je dat de pen van een jongen is?
zijn pen
hij pen
haar pen
zij pen
Wat is het bezittelijk voornaamwoord van u?
Is dat ___ huis? (jij)
mijn
jouw
hun
zijn
Dit is ___ idee. (u)
uw
mijn
jouw
haar
Zij is ___ jas vergeten.
haar
mijn
zijn
jouw
Waar is ___ schrift? (hij)
jouw
zijn
mijn
haar
Dit is ___ boek. (ik)
jouw
mijn
haar
zijn
Dit zijn ___ boeken op de tafel. (jullie)
hun
ons
onze
jullie
Zij hebben ___ fietsen in de schuur.
haar
mijn
hun
zijn
We hebben ___ huisdieren meegenomen.
onze
hun
jouw
zijn
Samenvatting
Learning objective
Bezittelijk voornaamwoord
Iedere persoon in het Nederlands heeft een eigen bezittelijk voornaamwoord.
Een bezittelijk voornaamwoord vertelt van wie iets is.
Het woord wij heeft twee vormen: ons en onze.
Ons is voor het-woorden, onze is voor de-woorden.
Oefenen op papier
Vul het goede bezittelijk voornaamwoord in.
Oefening 1 = enkelvoud
Oefening 2 = meervoud
Oefening 3 = enkelvoud en meervoud
Wat vond je van de les?