Ellos/ellas Vienen Cierran Juegan Duermen Hacen Van
ustedes
Slide 38 - Slide
Explicación de la gramática
Gebiedende wijs
De Gebiedende wijs gebruik je om aanwijzingen of bevelen te geven. In het Nederlands zeg je bijvoorbeeld: Pak je boek! Loop naar buiten! Ga zitten! Etc.
In het Spaans vervoeg je de gebiedende wijs meestal door de derde persoon van de regelmatige werkwoorden te pakken. Bijvoorbeeld het werkwoord hablar in de derde persoon is dat (él/ella/usted) habla. In de gebiedende wijs gebruik je deze vorm dan. Bijvoorbeeld: ¡Habla más despacio por favor! -> Praak langzamer alsjeblieft!
Slide 39 - Slide
Explicación de la gramática
Onregelmatige vormen van de gebiedende wijs
Cerrar -> Cierra
Venir -> ven
Poner -> pon
Ir -> ve
Hacer -> haz
Jugar -> juega
Decir (a mí) -> dime
Slide 40 - Slide
Hij doet
A
Hago
B
Hace
C
Hacemos
D
Hacen
Slide 41 - Quiz
Zij gaan
A
Vais
B
Voy
C
Vamos
D
Van
Slide 42 - Quiz
Ik sluit
A
Cierro
B
Cierras
C
Cerramos
D
Cerráis
Slide 43 - Quiz
Jullie slapen
A
Duermo
B
Dormimos
C
Duermen
D
Dormís
Slide 44 - Quiz
Schrijf
A
Escribes
B
Escribo
C
Escribe
D
Escriba
Slide 45 - Quiz
Leg/zet
A
Pones
B
Pon
C
Ponga
D
Pongo
Slide 46 - Quiz
Neem
A
Tome
B
Toman
C
Tomo
D
Toma
Slide 47 - Quiz
Maak
A
Hace
B
Hago
C
Haz
D
Haga
Slide 48 - Quiz
Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 1 t/m 3
Slide 49 - Slide
Deberes
Woordjes leren: woordjes 1 t/m 30 (p.108)
Slide 50 - Slide
Bienvenidos
Slide 51 - Slide
Objetivos
Al final de la clase...
Ken je de pretérito perfecto (voltooid tegenwoordige tijd)
Begrijp je een gesprekje die Julia, Jorge en Graciela hebben in de bibliotheek
Kun je je afspraken in de agenda beschrijven
Slide 52 - Slide
¿Preguntas?
Zijn er vragen over de stof van vorige week?
Slide 53 - Slide
Explicación de la gramática
De pretérito perfecto
Je gebruikt de pretérito perfecto om te praten over dingen in het verleden die dichtbij het heden liggen. Je gebruikt het hulpwerkwoord Haber (in het Nederlands is dat een vorm van hebben of zijn. Haber gebruik je bij alle werkwoorden en vervoegd zich naar het onderwerp. Samen met haber heb je een voltooid deelwoord nodig (werkwoorden -ar = -ado en werkwoorden -er/-ir = -ido
Er zijn een aantal onregelmatige vormen, het zijn er niet veel:
Romper -> roto poner -> puesto volver -> vuelto
Abrir -> abierto ver -> visto hacer -> hecho
Escribir -> escrito decir -> dicho freír-> frito
Slide 54 - Slide
Explicación de la gramática
De pretérito perfecto
Yo He
Tú Has
Él/ella/usted Ha Estudiado / venido / vivido
Nosotr@s Hemos
Vosotr@s Habéis
Ellos/ellas Han
ustedes
Slide 55 - Slide
Ik heb gesproken
A
Ha hablado
B
He hablado
C
Hablo
D
Hablar
Slide 56 - Quiz
Wij hebben gebroken
A
Hemos rompido
B
romper
C
Rompemos
D
Hemos roto
Slide 57 - Quiz
Jij hebt gedaan
A
Has hecho
B
Haces
C
Hacer
D
Has hacido
Slide 58 - Quiz
Jullie hebben gestudeerd
A
Estudiáis
B
Estudiar
C
Han estudiado
D
Habéis estudiado
Slide 59 - Quiz
Ejercicios de la gramática
Maak opdrachten 4 en 5
Slide 60 - Slide
Ejercicios de comunicación
Opdrachten 1 t/m 7 doen we samen
Slide 61 - Slide
Ejercicios de destrezas
Maak opdracht 1 en 2 zelf
Daarna luisteren we naar opdracht 3
Opdracht 4 doen we samen
Maak daarna zelf opdracht 5
Slide 62 - Slide
Deberes
Woordjes leren: woordjes31 t/m 60 p.105)
Slide 63 - Slide
Bienvenidos
Slide 64 - Slide
Objetivos
Al final de la clase...
Begrijp je een tekst over Madrid
Begrijp je een audio waarin Daniela iets vertelt over Illán de Vacas (plaats in Spanje)
Kun je je droomwijk beschrijven
Heb je iets geleerd over Cartagena de Indias
Slide 65 - Slide
¿Preguntas?
Zijn er nog vragen over de stof van vorige week?
Slide 66 - Slide
Ejercicios de destrezas
Maak opdrachten 1, 2 en 3zelf
Daarna luisteren we naar opdracht 4
Opdracht 5 doe je zelf
Opdracht 6 doen we samen
Slide 67 - Slide
Ejercicios de cultura
Samen maken we 1 t/m 3
Er is ruimte om de stof nog goed door te nemen. Volgende week is er namelijk een toets moment.
Slide 68 - Slide
Deberes
Woordjes leren: woordjes 61 t/m 90 (p. 105)
Leren voor de eindtoets op donderdag ..........
Kennen:
Gramática capítulo 5 en 6
- Grammatica cap. 5
- Onregelmatige werkwoorden
- Gebiedende wijs
- Pretérito perfecto
Voc. capítulo 5 en 6
- Páginas 107 en 108
Slide 69 - Slide
Bienvenidos
Capítulo 7
Slide 70 - Slide
Objetivos
Al final de la clase...
Kun je de maanden van het jaar op de juiste plek in de agenda zetten
Ken je de seizoenen
Ken je de benaming van dieren
Ken je de wederkerende werkwoorden in het Spaans
Slide 71 - Slide
Ejercicios vocabulario
Opdrachten 1 en 2 maak je zelf
Opdrachten 3 t/m 7 doen we samen
Slide 72 - Slide
Explicación de la gramática
Wederkerende werkwoorden
Wederkerende werkwoorden zijn werkwoorden die we met ons lichaam doen. Bijvoorbeeld in het Nederlands het werkwoord: zich aankleden. Je zegt in het Nederlands dan bijvoorbeeld: Ik kleed me aan. In het Spaans herken je deze werkwoorden door se aan het einde. Die se halen we bij het vervoegen helemaal naar voren en die vervoegen we mee met het onderwerp.
Slide 73 - Slide
Explicación de la gramática
De wederkerende werkwoorden
Ducharse Acostarse Sentarse Ponerse Vestirse
Yo Me ducho Me acuesto Me siento Me pongo Me visto
Tú Te duchas Te acuestas Te sientas Te pones Te vistes
Él/ella/usted Se ducha Se acuesta Se sienta Se pone Se viste
Nosotr@s Nos duchamos Nos acostamos Nos sentamos Nos ponemos Nos vestimos
Vosotr@s Os ducháis Os acostáis Os sentáis Os ponéis Os vestís
Ellos/ellas Se duchan Se acuestan Se sientan Se ponen Se visten
ustedes
Slide 74 - Slide
Wij kleden ons aan
A
Me visto
B
Nos vestimos
C
Se visten
D
Os vestís
Slide 75 - Quiz
Ik ga zitten
A
Nos sentamos
B
Te sientas
C
Se sienta
D
Me siento
Slide 76 - Quiz
Zij doucht zich
A
Se ducha
B
Me ducho
C
Nos duchamos
D
Se duchan
Slide 77 - Quiz
Zij gaan naar bed
A
Nos acostamos
B
Se acuesta
C
Me acuesto
D
Se acuestan
Slide 78 - Quiz
Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 1 t/m 3
Slide 79 - Slide
Deberes
Woordjes leren: woordjes 1 t/m 30 (p.105)
Slide 80 - Slide
Bienvenidos
Slide 81 - Slide
Objetivos
Al final de la clase...
Ken je de werkwoorden Salir en Volver
Ken je de voorzetsels
Begrijp je een gesprekje van Jorge en Pablo op de boerderij en Julia en Graciela in de pizzeria
Kun je vertellen hoe jouw dagelijks leven eruit ziet
Slide 82 - Slide
¿Preguntas?
Zijn er vragen over de stof van vorige week?
Slide 83 - Slide
Explicación de la gramática
De presente van Salir en Volver
Yo Salgo Vuelvo
Tú Sales Vuelves
Él/ella/usted Sale Vuelve
Nosotr@s Salimos Volvemos
Vosotr@s Salís Volvéis
Ell@s/ustedes Salen Vuelven
De voorzetsels (a, de, por, con, en)
Salgo de casa muy temprano
Mi padre vuelve a las ocho
Llego a la escuela a las ocho y media
Voy a las biblioteca por las tardes
Juego en el parque con mis amigos los domingos
Siempre llamo a mis padres cuando llego tarde a casa
Mi hermano vuelve del institutlo a las tres de la tarde
Slide 84 - Slide
Ik ga uit
A
Sales
B
Salo
C
Salgo
D
Salimos
Slide 85 - Quiz
Zij keren terug
A
Volver
B
Vuelven
C
Volvemos
D
Vuelve
Slide 86 - Quiz
Wij gaan weg
A
Sal
B
Salen
C
Salimos
D
Sale
Slide 87 - Quiz
Jij keert terug
A
Volver
B
Vuelven
C
Vuelvo
D
Vuelves
Slide 88 - Quiz
Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 4 t/m 7
Slide 89 - Slide
Ejercicios de comunicación
We luisteren eerst samen naar opdracht 1
Maak zelf opdrachten 2, 3 en 4
Samen maken we 5 t/m 9
Slide 90 - Slide
Deberes
Woordjes leren: woordjes31 t/m 60 p.108 en 109)
Slide 91 - Slide
Bienvenidos
Slide 92 - Slide
Objetivos
Al final de la clase...
Begrijp je een tekst over de dierentuin
Begrijp je een audio waarin Budi iets vertelt over de orang-oetan
Kun je je huisdier beschrijven
Begrijp je een tekst over een zoo-aquarium
Slide 93 - Slide
¿Preguntas?
Zijn er nog vragen over de stof van vorige week?
Slide 94 - Slide
Ejercicios de destrezas
Maak opdracht 1 t/m 4 zelf
Daarna luisteren we naar opdracht 5
Opdracht 6 maak je zelf
Opdracht 7 doen we weer samen
Slide 95 - Slide
Ejercicios de cultura
Samen maken we 1 t/m 4
Er is ruimte om de stof nog goed door te nemen. Volgende week is er namelijk een toets moment.
Slide 96 - Slide
Deberes
Woordjes leren: woordjes 61 t/m 90 (p. 105)
Leren voor de eindtoets op donderdag ..........
Kennen:
Gramática capítulo 3
- Vervoegingen regelmatige werkwoorden
- Werkwoord tener
- Bezittelijk voornaamwoorden
Voc. capítulo 3
- Páginas 106/107
Slide 97 - Slide
Bienvenidos
Capítulo 8
Slide 98 - Slide
Objetivos
Al final de la clase...
ken je de lichaamsdelen in het Spaans
Ken je de werkwoorden doler en gustar
Slide 99 - Slide
Ejercicios vocabulario
Samen maken we 1 en 2
Maak zelf 3 t/m 5
Slide 100 - Slide
Explicación de la gramática
Presente van doler (pijn hebben/doen)
(a mí) me
(a ti) te
(a él/ella/ust) le duele la cabeza
(a nosotr@s) nos duelen los pies
(a vosotr@s) os
(a ell@s/ustedes) les
Werkwoorden doler en gustar
Het werkwoord gustar kun je in het Nederlands vervangen door het werkwoord bevallen.
De film bevalt mij -> ik vind de film leuk.
Me gusta mucho la leche
¿Te gustan los pasteles?
Het werkwoord doler werkt op dezelfde manier.
A pablo le duelen las piernas
Slide 101 - Slide
Mijn hoofd doet pijn
A
Me duele la cabeza
B
Me duelen la cabeza
C
Me duelo la cabeza
D
Dolor la cabeza
Slide 102 - Quiz
Zijn benen doen pijn
A
Le duelen mis piernas
B
Le duele las piernas
C
Duelen las piernas
D
Le duelen las piernas
Slide 103 - Quiz
Wij vinden de film leuk
A
Nos gustan la película
B
Gustamos la películo
C
Nos gusta la película
D
Gusto la película
Slide 104 - Quiz
Jullie vinden het strand leuk
A
Gustar la playa
B
Os gusta la playa
C
Os gustan la playa
D
Gustáis la playa
Slide 105 - Quiz
Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 1 t/m 3
Slide 106 - Slide
Deberes
Woordjes leren: woordjes 1 t/m 30 (p.105)
Slide 107 - Slide
Bienvenidos
Slide 108 - Slide
Objetivos
Al final de la clase...
ken je de woorden mucho/-a/-os/-as en muy
Begrijp je een gesprekje die gevoerd wordt in een sportcomplex waarin verschillende jongeren worden geïnterviewd
Kun je personen beschrijven
Slide 109 - Slide
¿Preguntas?
Zijn er vragen over de stof van vorige week?
Slide 110 - Slide
Explicación de la gramática
Mucho/-a/-os/-as
Mucho/-a/-os/-as gebruik je bij een zelfstandig naamwoord. Het past zich daaraan aan.
Roberto no tiene mucho dinero
Claudia tiene muchas amigas
Mucho gebruik je ook bij een werkwoord. Het veranderd dan niet van vorm.
Veo mucho la tele
Mi hermana estudia mucho
Muy
Muy gebruik je bij een zelfstandig naamwoord. Het past zich niet aan.
Tiene el pelo muy largo
Los deberes son muy difíciles
Muy gebruik je ook bij een bijwoord.
Llego a casa muy tarde
La casa de mi tía está muy lejos
Slide 111 - Slide
Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 4 t/m 6
Slide 112 - Slide
Ejercicios de comunicación
We luisteren eerst samen naar opdracht 1
Maak zelf opdrachten 2 t/m 6
Samen maken we 7 en 8
Slide 113 - Slide
Deberes
Woordjes leren: woordjes31 t/m 60 p.105)
Slide 114 - Slide
Bienvenidos
Slide 115 - Slide
Objetivos
Al final de la clase...
Begrijp je een e-mail waarin Marta een beschrijving geeft van haar vrienden
Kun je bekende personen beschrijven in het Spaans
Kun je een berichtje schrijven waarin je je beste vrienden beschrijft
Weet je wat Las semanas azules zijn
Slide 116 - Slide
¿Preguntas?
Zijn er nog vragen over de stof van vorige week?
Slide 117 - Slide
Ejercicios de destrezas
Maak opdracht 1 t/m 3 zelf
Daarna luisteren we naar opdracht 4
Opdracht 5 en 6 maken we ook samen
Maak daarna zelf opdracht 7
Slide 118 - Slide
Ejercicios de cultura
Samen maken we 1
Er is ruimte om de stof nog goed door te nemen. Volgende week is er namelijk een toets moment.