Capítulo 5 tot en met 8 compañeros 1

Bienvenidos
Capítulo 5
1 / 120
next
Slide 1: Slide
SpaansBeroepsopleiding

This lesson contains 120 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min
Report this lesson

Items in this lesson

Bienvenidos
Capítulo 5

Slide 1 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • Weet je woordjes die te maken hebben met de ruimtes in huis
  • Ken je vakantieverblijven in het Spaans
  • Weet je wat het werkwoord estar betekent

Slide 2 - Slide

Ejercicios vocabulario
We maken opdrachten 1 t/m 3 samen

Opdrachten 4 t/m 6 maak je zelf

Opdracht 7 doen we samen

Maak opdrachten 8 en 9 zelf 

Opdrachten 10 en 11 maken we weer samen

Slide 3 - Slide

Explicación de la gramática
De presente van estar

Yo                                      estoy
Tú                                      estás
Él/ella/usted                    está
Nosotr@s                        estamos
Vosotr@s                         estáis
Ellos/ellas/ustedes         están
Waar iets zich bevindt

Encima (de) -> op
Debajo (de) -> onder
Detrás (de) -> achter
Delante (de) -> voor
Al lado (de) -> naast
En -> in
Mi madre está en la cocina
(Yo) Estoy en el supermercado
La araña está detrás de la caja
La araña está delante de la caja
La araña está al lado de la caja
La araña está en la caja

Slide 4 - Slide

Ik bevind mij thuis
A
estoy en casa
B
está en casa
C
estamos en casa
D
estáis en casa

Slide 5 - Quiz

Jullie bevinden jullie op school
A
están en la escuela
B
estoy en la escuela
C
estás en la escuela
D
estáis en la escuela

Slide 6 - Quiz

Hij bevindt zich in de apotheek
A
estáis en la farmacia
B
estás en la farmacia
C
estamos en la farmacia
D
está en la farmacia

Slide 7 - Quiz

Zij bevinden zich op straat
A
estoy en la calle
B
está en la calle
C
están en la calle
D
estamos en la calle

Slide 8 - Quiz

De kat zit achter de doos
A
el gato está encima de la caja
B
el gato está delante de la caja
C
el gato está detrás de la caja
D
el gato está en la caja

Slide 9 - Quiz

De kat zit in de doos
A
el gato está detrás de la caja
B
el gato está delante de la caja
C
el gato está debajo de la caja
D
el gato está en la caja

Slide 10 - Quiz

De kat zit onder de doos
A
el gato está detrás de la caja
B
el gato está delante de la caja
C
el gato está debajo de la caja
D
el gato está al lado de la caja

Slide 11 - Quiz

De kat zit naast de doos
A
el gato está detrás de la caja
B
el gato está delante de la caja
C
el gato está al lado de de la caja
D
el gato está en la caja

Slide 12 - Quiz

Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 1 t/m 3


Slide 13 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 1 t/m 30 (p.107)

Slide 14 - Slide

Bienvenidos

Slide 15 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • Ken je het het verschil tussen hay, ser en estar
  • Begrijp je een gesprekje waarin Gabriela bij haar vrienden thuis wordt uitgenodigd
  • Kun je bijvoeglijk naamwoorden gebruiken om objecten of personen te beschrijven

Slide 16 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er vragen over de stof van vorige week?

Slide 17 - Slide

Explicación de la gramática
Hay (er is/er zijn)
  • bij een onbepaald lidwoord un, una, unos, unas
  • geen lidwoord
  • onbepaalde hoeveelheden
  • telwoorden
Ser (zijn)
  • wie iemand is
  • hoe iemand is
  • beroep
  • waar iemand vandaan komt
  • iets of iemand beschrijven
Estar (zijn) 
  • bij een bepaald lidwoord el, la, los, las
  • waar iemand zich bevindt
  • veranderlijke gemoedstoestanden

Slide 18 - Slide

Explicación de la gramática

Slide 19 - Slide

el coche no ... aquí, sino allí
A
está
B
es
C
hay
D
-

Slide 20 - Quiz

Juan ... doctor
A
hay
B
está
C
es
D
-

Slide 21 - Quiz

en mi trabajo ... muchos jóvenes
A
están
B
hay
C
son
D
-

Slide 22 - Quiz

... unos chicos en la playa
A
hay
B
son
C
están
D
estamos en la calle

Slide 23 - Quiz

Paula y Carlos ... muy inteligentes
A
están
B
son
C
hay
D
-

Slide 24 - Quiz

yo ... muy cansado
A
estoy
B
soy
C
hay
D
el gato está en la caja

Slide 25 - Quiz

Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 4 t/m 6

Slide 26 - Slide

Ejercicios de comunicación
We luisteren eerst samen naar opdracht  1

Maak zelf opdrachten 2 en 3

We luisteren samen naar opdracht 4

Daarna maken we opdrachten 5 en 6 ook samen

Slide 27 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 31 t/m 60 p.107)

Slide 28 - Slide

Bienvenidos

Slide 29 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • Begrijp je korte tekstjes waarin personen iets over zichzelf vertellen
  • Begrijp je de beschrijving van Celia over haar droomhuis
  • Kun je praten met elkaar over hoe je slaapkamer eruit ziet
  • Begrijp je een tekst over ecologische woningen

Slide 30 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er nog vragen over de stof van vorige week?

Slide 31 - Slide

Ejercicios de destrezas
Maak opdrachten 1 t/m 3 zelf

Daarna luisteren we naar opdrachten 4 en  3

Opdracht 6 doen we ook samen

Maak zelf opdracht 7

Slide 32 - Slide

Ejercicios de cultura
Maak opdracht 1 t/m 3

Er is ruimte om de stof nog goed door te nemen. Volgende week is er namelijk een toets moment.

Slide 33 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 61 t/m 90 (p. 107 en 108) 

Leren voor de eindtoets op woensdag 12 oktober

Kennen: 
Gramática capítulo 1
- Werkwoord estar 
- Waar iets of iemand zich bevindt
- Verschil hay, ser en estar
Voc. capítulo 5
- Páginas 107 en 108

Slide 34 - Slide

Bienvenidos
Capítulo 6

Slide 35 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • Weet je hoe bepaalde gebouwen in het Spaans genoemd worden
  • Kun je beschrijven waar iemand zich bevindt
  • Ken je nieuwe onregelmatige werkwoorden 
  • Ken je de gebiedende wijs in het Spaans

Slide 36 - Slide

Ejercicios vocabulario
Opdracht 1 maken we samen

Daarna maak je zelf opdrachten 2 t/m 6

Opdracht 7 luisteren we samen


Slide 37 - Slide

Explicación de la gramática
De presente van de onregelmatige werkwoorden
                             Venir          Cerrar          Jugar         Dormir          Hacer             ir
Yo                         Vengo         Ciero             Juego         Duermo         Hago              Voy
Tú                         Vienes        Cieres            Juegas       Duermes       Haces             Vas
Él/ella/usted       Viene          Ciere             Juega         Duerme         Hace               Va
Nosotr@s           Venimos     Cerramos     Jugamos   Dormimos     Hacemos      Vamos
Vosotr@s            Venís           Cerráis          Jugáis         Dormís           Hacéis            Vais
Ellos/ellas            Vienen       Cierran         Juegan       Duermen      Hacen             Van
ustedes  

Slide 38 - Slide

Explicación de la gramática
Gebiedende wijs
De Gebiedende wijs gebruik je om aanwijzingen of bevelen te geven. In het Nederlands zeg je bijvoorbeeld: Pak je boek! Loop naar buiten! Ga zitten! Etc. 

In het Spaans vervoeg je de gebiedende wijs meestal door de derde persoon van de regelmatige werkwoorden te pakken. Bijvoorbeeld het werkwoord hablar in de derde persoon is dat (él/ella/usted) habla. In de gebiedende wijs gebruik je deze vorm dan. Bijvoorbeeld: ¡Habla más despacio por favor! -> Praak langzamer alsjeblieft!

Slide 39 - Slide

Explicación de la gramática
Onregelmatige vormen van de gebiedende wijs

Cerrar -> Cierra
Venir -> ven
Poner -> pon
Ir -> ve
Hacer -> haz
Jugar -> juega
Decir (a mí) -> dime

Slide 40 - Slide

Hij doet
A
Hago
B
Hace
C
Hacemos
D
Hacen

Slide 41 - Quiz

Zij gaan
A
Vais
B
Voy
C
Vamos
D
Van

Slide 42 - Quiz

Ik sluit
A
Cierro
B
Cierras
C
Cerramos
D
Cerráis

Slide 43 - Quiz

Jullie slapen
A
Duermo
B
Dormimos
C
Duermen
D
Dormís

Slide 44 - Quiz

Schrijf
A
Escribes
B
Escribo
C
Escribe
D
Escriba

Slide 45 - Quiz

Leg/zet
A
Pones
B
Pon
C
Ponga
D
Pongo

Slide 46 - Quiz

Neem
A
Tome
B
Toman
C
Tomo
D
Toma

Slide 47 - Quiz

Maak
A
Hace
B
Hago
C
Haz
D
Haga

Slide 48 - Quiz

Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 1 t/m 3


Slide 49 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 1 t/m 30 (p.108)

Slide 50 - Slide

Bienvenidos

Slide 51 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • Ken je de pretérito perfecto (voltooid tegenwoordige tijd)
  • Begrijp je een gesprekje die Julia, Jorge en Graciela hebben in de bibliotheek
  • Kun je je afspraken in de agenda beschrijven

Slide 52 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er vragen over de stof van vorige week?

Slide 53 - Slide

Explicación de la gramática
De pretérito perfecto
Je gebruikt de pretérito perfecto om te praten over dingen in het verleden die dichtbij het heden liggen. Je gebruikt het hulpwerkwoord Haber (in het Nederlands is dat een vorm van hebben of zijn. Haber gebruik je bij alle werkwoorden en vervoegd zich naar het onderwerp. Samen met haber heb je een voltooid deelwoord nodig (werkwoorden -ar = -ado en werkwoorden -er/-ir = -ido

Er zijn een aantal onregelmatige vormen, het zijn er niet veel:
Romper -> roto              poner -> puesto           volver -> vuelto
Abrir -> abierto              ver -> visto                     hacer -> hecho
Escribir -> escrito          decir -> dicho                freír -> frito

Slide 54 - Slide

Explicación de la gramática
De pretérito perfecto
Yo                        He
Tú                        Has
Él/ella/usted      Ha                               Estudiado / venido / vivido
Nosotr@s          Hemos
Vosotr@s          Habéis
Ellos/ellas          Han
ustedes

Slide 55 - Slide

Ik heb gesproken
A
Ha hablado
B
He hablado
C
Hablo
D
Hablar

Slide 56 - Quiz

Wij hebben gebroken
A
Hemos rompido
B
romper
C
Rompemos
D
Hemos roto

Slide 57 - Quiz

Jij hebt gedaan
A
Has hecho
B
Haces
C
Hacer
D
Has hacido

Slide 58 - Quiz

Jullie hebben gestudeerd
A
Estudiáis
B
Estudiar
C
Han estudiado
D
Habéis estudiado

Slide 59 - Quiz

Ejercicios de la gramática
Maak opdrachten 4 en 5


Slide 60 - Slide

Ejercicios de comunicación
Opdrachten 1 t/m 7 doen we samen

Slide 61 - Slide

Ejercicios de destrezas
Maak opdracht 1 en 2 zelf

Daarna luisteren we naar opdracht 3 

Opdracht 4 doen we samen 

Maak daarna zelf opdracht 5

Slide 62 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 31 t/m 60 p.105)

Slide 63 - Slide

Bienvenidos

Slide 64 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • Begrijp je een tekst over Madrid
  • Begrijp je een audio waarin Daniela iets vertelt over Illán de Vacas (plaats in Spanje)
  • Kun je je droomwijk beschrijven
  • Heb je iets geleerd over Cartagena de Indias

Slide 65 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er nog vragen over de stof van vorige week?

Slide 66 - Slide

Ejercicios de destrezas
Maak opdrachten 1, 2 en 3zelf

Daarna luisteren we naar opdracht 4 

Opdracht 5 doe je zelf

Opdracht 6 doen we samen

Slide 67 - Slide

Ejercicios de cultura
Samen maken we 1 t/m 3

Er is ruimte om de stof nog goed door te nemen. Volgende week is er namelijk een toets moment.

Slide 68 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 61 t/m 90 (p. 105) 

Leren voor de eindtoets op donderdag ..........

Kennen: 
Gramática capítulo 5 en 6
- Grammatica cap. 5 
- Onregelmatige werkwoorden
- Gebiedende wijs
- Pretérito perfecto
Voc. capítulo 5 en 6
- Páginas 107 en 108

Slide 69 - Slide

Bienvenidos
Capítulo 7

Slide 70 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • Kun je de maanden van het jaar op de juiste plek in de agenda zetten
  • Ken je de seizoenen
  • Ken je de benaming van dieren
  • Ken je de wederkerende werkwoorden in het Spaans

Slide 71 - Slide

Ejercicios vocabulario
Opdrachten 1 en 2 maak je zelf

Opdrachten 3 t/m 7 doen we samen

Slide 72 - Slide

Explicación de la gramática
Wederkerende werkwoorden
Wederkerende werkwoorden zijn werkwoorden die we met ons lichaam doen. Bijvoorbeeld in het Nederlands het werkwoord: zich aankleden. Je zegt in het Nederlands dan bijvoorbeeld: Ik kleed me aan. In het Spaans herken je deze werkwoorden door se aan het einde. Die se halen we bij het vervoegen helemaal naar voren en die vervoegen we mee met het onderwerp.

Slide 73 - Slide

Explicación de la gramática
De wederkerende werkwoorden
                            Ducharse        Acostarse        Sentarse         Ponerse         Vestirse
Yo                       Me ducho          Me acuesto      Me siento        Me pongo        Me visto  
Tú                       Te duchas          Te acuestas      Te sientas        Te pones          Te vistes     
Él/ella/usted     Se ducha           Se acuesta        Se sienta         Se pone           Se viste      
Nosotr@s  Nos duchamos  Nos acostamos  Nos sentamos Nos ponemos  Nos vestimos
Vosotr@s         Os ducháis         Os acostáis       Os sentáis       Os ponéis         Os vestís   
Ellos/ellas         Se duchan          Se acuestan    Se sientan       Se ponen          Se visten      
ustedes  

Slide 74 - Slide

Wij kleden ons aan
A
Me visto
B
Nos vestimos
C
Se visten
D
Os vestís

Slide 75 - Quiz

Ik ga zitten
A
Nos sentamos
B
Te sientas
C
Se sienta
D
Me siento

Slide 76 - Quiz

Zij doucht zich
A
Se ducha
B
Me ducho
C
Nos duchamos
D
Se duchan

Slide 77 - Quiz

Zij gaan naar bed
A
Nos acostamos
B
Se acuesta
C
Me acuesto
D
Se acuestan

Slide 78 - Quiz

Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 1 t/m 3


Slide 79 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 1 t/m 30 (p.105)

Slide 80 - Slide

Bienvenidos

Slide 81 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • Ken je de werkwoorden Salir en Volver
  • Ken je de voorzetsels
  • Begrijp je een gesprekje van Jorge en Pablo op de boerderij en Julia en Graciela in de pizzeria
  • Kun je vertellen hoe jouw dagelijks leven eruit ziet

Slide 82 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er vragen over de stof van vorige week?

Slide 83 - Slide

Explicación de la gramática
De presente van Salir en Volver

Yo                         Salgo             Vuelvo
Tú                         Sales              Vuelves
Él/ella/usted       Sale                Vuelve
Nosotr@s           Salimos         Volvemos
Vosotr@s            Salís               Volvéis
Ell@s/ustedes   Salen              Vuelven
De voorzetsels (a, de, por, con, en)

  • Salgo de casa muy temprano
  • Mi padre vuelve a las ocho
  • Llego a la escuela a las ocho y media
  • Voy a las biblioteca por las tardes
  • Juego en el parque con mis amigos los domingos
  • Siempre llamo a mis padres cuando llego tarde a casa
  • Mi hermano vuelve del institutlo a las tres de la tarde

Slide 84 - Slide

Ik ga uit
A
Sales
B
Salo
C
Salgo
D
Salimos

Slide 85 - Quiz

Zij keren terug
A
Volver
B
Vuelven
C
Volvemos
D
Vuelve

Slide 86 - Quiz

Wij gaan weg
A
Sal
B
Salen
C
Salimos
D
Sale

Slide 87 - Quiz

Jij keert terug
A
Volver
B
Vuelven
C
Vuelvo
D
Vuelves

Slide 88 - Quiz

Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 4 t/m 7

Slide 89 - Slide

Ejercicios de comunicación
We luisteren eerst samen naar opdracht  1

Maak zelf opdrachten 2, 3 en 4 

Samen maken we 5 t/m 9

Slide 90 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 31 t/m 60 p.108 en 109)

Slide 91 - Slide

Bienvenidos

Slide 92 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • Begrijp je een tekst over de dierentuin
  • Begrijp je een audio waarin Budi iets vertelt over de orang-oetan
  • Kun je je huisdier beschrijven
  • Begrijp je een tekst over een zoo-aquarium

Slide 93 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er nog vragen over de stof van vorige week?

Slide 94 - Slide

Ejercicios de destrezas
Maak opdracht 1 t/m 4 zelf

Daarna luisteren we naar opdracht 5

Opdracht 6 maak je zelf 

Opdracht 7 doen we weer samen

Slide 95 - Slide

Ejercicios de cultura
Samen maken we 1 t/m 4

Er is ruimte om de stof nog goed door te nemen. Volgende week is er namelijk een toets moment.

Slide 96 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 61 t/m 90 (p. 105) 

Leren voor de eindtoets op donderdag ..........

Kennen: 
Gramática capítulo 3
- Vervoegingen regelmatige werkwoorden
- Werkwoord tener
- Bezittelijk voornaamwoorden
Voc. capítulo 3
- Páginas 106/107

Slide 97 - Slide

Bienvenidos
Capítulo 8

Slide 98 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • ken je de lichaamsdelen in het Spaans
  • Ken je de werkwoorden doler en gustar

Slide 99 - Slide

Ejercicios vocabulario
Samen maken we 1 en 2

Maak zelf 3 t/m 5

Slide 100 - Slide

Explicación de la gramática
Presente van doler (pijn hebben/doen)

(a mí)                      me 
(a ti)                         te
(a él/ella/ust)          le           duele  la cabeza
(a nosotr@s)         nos         duelen los pies
(a vosotr@s)          os
(a ell@s/ustedes) les
Werkwoorden doler en gustar
Het werkwoord gustar  kun je in het Nederlands vervangen door het werkwoord bevallen.

De film bevalt mij -> ik vind de film leuk.

Me gusta  mucho la leche
¿Te gustan los pasteles?

Het werkwoord doler werkt op dezelfde manier.
A pablo le duelen las piernas

Slide 101 - Slide

Mijn hoofd doet pijn
A
Me duele la cabeza
B
Me duelen la cabeza
C
Me duelo la cabeza
D
Dolor la cabeza

Slide 102 - Quiz

Zijn benen doen pijn
A
Le duelen mis piernas
B
Le duele las piernas
C
Duelen las piernas
D
Le duelen las piernas

Slide 103 - Quiz

Wij vinden de film leuk
A
Nos gustan la película
B
Gustamos la películo
C
Nos gusta la película
D
Gusto la película

Slide 104 - Quiz

Jullie vinden het strand leuk
A
Gustar la playa
B
Os gusta la playa
C
Os gustan la playa
D
Gustáis la playa

Slide 105 - Quiz

Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 1 t/m 3


Slide 106 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 1 t/m 30 (p.105)

Slide 107 - Slide

Bienvenidos

Slide 108 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • ken je de woorden mucho/-a/-os/-as en muy
  • Begrijp je een gesprekje die gevoerd wordt in een sportcomplex waarin verschillende jongeren worden geïnterviewd
  • Kun je personen beschrijven

Slide 109 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er vragen over de stof van vorige week?

Slide 110 - Slide

Explicación de la gramática
Mucho/-a/-os/-as
Mucho/-a/-os/-as gebruik je bij een zelfstandig naamwoord. Het past zich daaraan aan.
Roberto no tiene mucho dinero
Claudia tiene muchas amigas

Mucho gebruik je ook bij een werkwoord. Het veranderd dan niet van vorm.
Veo mucho la tele
Mi hermana estudia mucho
Muy
Muy gebruik je bij een zelfstandig naamwoord. Het past zich niet aan.
Tiene el pelo muy largo
Los deberes son muy difíciles

Muy gebruik je ook bij een bijwoord. 
Llego a casa muy tarde
La casa de mi tía está muy lejos

Slide 111 - Slide

Ejercicios de la gramática
Maak opdracht 4 t/m 6

Slide 112 - Slide

Ejercicios de comunicación
We luisteren eerst samen naar opdracht  1

Maak zelf opdrachten 2 t/m 6

Samen maken we 7 en 8

Slide 113 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 31 t/m 60 p.105)

Slide 114 - Slide

Bienvenidos

Slide 115 - Slide

Objetivos
Al final de la clase...

  • Begrijp je een e-mail waarin Marta een beschrijving geeft van haar vrienden
  • Kun je bekende personen beschrijven in het Spaans
  • Kun je een berichtje schrijven waarin je je beste vrienden beschrijft
  • Weet je wat Las semanas azules zijn

Slide 116 - Slide

¿Preguntas?
Zijn er nog vragen over de stof van vorige week?

Slide 117 - Slide

Ejercicios de destrezas
Maak opdracht 1 t/m 3 zelf

Daarna luisteren we naar opdracht 4 

Opdracht 5 en 6 maken we ook samen

Maak daarna zelf opdracht 7


Slide 118 - Slide

Ejercicios de cultura
Samen maken we 1

Er is ruimte om de stof nog goed door te nemen. Volgende week is er namelijk een toets moment.

Slide 119 - Slide

Deberes
Woordjes leren: woordjes 61 t/m 90 (p. 105) 

Leren voor de eindtoets op donderdag .......
Kennen: 
Gramática capítulo 8
- Grammatica hoofdstuk 7
- Werkwoorden doler en gustar
-Mucho/-a/-os/-as en muy
Voc. capítulo 7 en 8
- Páginas 108 en 109

Slide 120 - Slide