Interne organisatie - havo 4

Organisaties en management
1 / 22
next
Slide 1: Slide
BedrijfseconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Organisaties en management

Slide 1 - Slide

Een taak van een manager is niet
A
Commanderen
B
Plannen
C
Controleren
D
Leidinggeven

Slide 2 - Quiz

de rangorde van doelstellingen van organisaties
A
strategisch-tactisch-operationeel
B
tactisch-strategisch-operationeel
C
strategisch-operationeel-tactisch
D
operationeel-tactisch-strategisch

Slide 3 - Quiz

Welke doelstelling?
De doelstelling om in Dubai een nieuwe raffinaderij te ontwikkelen
A
Strategisch
B
Tactisch
C
Operationeel

Slide 4 - Quiz

Welke doelstelling?
De doelstelling om komende maand een reclamecampagne te houden
A
Strategisch
B
Tactisch
C
Operationeel

Slide 5 - Quiz

Wat voor een soort organisatiestructuur is dit
A
lijnorganisatie
B
lijn-staf organisatie

Slide 6 - Quiz

Wat zijn de twee voordelen van een lijnorganisatie?
A
Duidelijke hiërarchie en verantwoordelijkheden
B
Meer participatie en betrokkenheid
C
Snelle communicatie en besluitvorming
D
Meer innovatie en vernieuwing

Slide 7 - Quiz

accounting, sales, personeelszaken.. zijn
A
staf-afdelingen
B
ondersteunende afdelingen
C
leidinggevenden
D
lijn-afdelingen

Slide 8 - Quiz

Het aantal mensen aan wie een manager daadwerkelijk leidinggeeft noem je


A
Omspanningsvermogen
B
Spandiepte
C
Spandwijdte
D
Omspanningsdiepte

Slide 9 - Quiz

Hoe ...(1) opgeleid het personeel en hoe ...(2) de manager kan delegeren, hoe groter het omspanningsvermogen
A
1 hoger 2 beter
B
1 hoger 2 slechter
C
1 lager 2 beter
D
1 lager 2 slechter

Slide 10 - Quiz

Leiderschap en motivatie

Slide 11 - Slide

Autoritair leiderschap
Democratisch leiderschap
Situationeel leiderschap
We beslissen samen!
Hersey en Blanchard
Ik ben de baas!

Slide 12 - Drag question

Motivatie
Je doet je best op school, omdat je het belangrijk vindt dat je ouders trots op je zijn.
Over welk type motivatie gaat het hier?
A
Intrinsieke motivatie
B
Extrinsieke motivatie

Slide 13 - Quiz

McGregor
Een manager gaat er vanuit dat zijn personeel weinig ambitie heeft en niet van werken houdt.
Welk mensbeeld heeft deze manager?
A
Mensbeeld X
B
Mensbeeld Y

Slide 14 - Quiz

Niveau 2
Niveau 3
Niveau 4
Niveau 1
Niveau 5
Fysiologische behoeften
Behoefte aan veiligheid en zekerheid
Behoefte aan sociaal contact en liefde
Behoefte aan aanzien en waardering
Behoefte aan zelfverwerkelijking

Slide 15 - Drag question

Pyramide van Maslow

Slide 16 - Slide


Maslow
Als leidinggevende kun je bijvoorbeeld iemands arbeidsmotivatie vergroten door iemand een vaste baan te geven. Welke behoefte wordt hiermee ingevuld?

A
Sociaal contact en liefde
B
Fysiologische behoeften
C
Zelfverwerkelijking
D
Veiligheid en zekerheid

Slide 17 - Quiz

Maslow
Anna is bereid om hard te werken voor goede schoolresultaten. Voor zichzelf vindt Anna dat eigenlijk niet zo belangrijk, maar dat helpt in hoe mensen naar haar kijken. Tot welke behoeftecategorie van Maslow behoort het gedrag van Anna?

A
Sociaal contact en liefde
B
Aanzien en waardering
C
Zelfverwerkelijking
D
Veiligheid en zekerheid

Slide 18 - Quiz

Maslow
Als je talent hebt en dat kunt benutten en verder ontwikkelen, maakt dat dat je beter in je vel zit, gelukkiger bent, meer plezier hebt in je werk en beter presteert. Op welk niveau in Maslows behoeftehiërarchie heeft dit betrekking?

A
Sociaal contact en liefde
B
Zelfrealisatie
C
Veiligheid en zekerheid
D
Fysiologische behoeften

Slide 19 - Quiz

Communicatie

Slide 20 - Slide

Je ontdekt fraude of corruptie binnen je bedrijf of een overheidsinstantie. Breng je het formeel via interne kanalen, met het risico dat het in de doofpot verdwijnt en jij mogelijk wordt tegengewerkt? Of gebruik je informele communicatie, zoals lekken naar de pers of sociale media, wat de waarheid sneller naar buiten brengt maar je carrière en zelfs je juridische positie in gevaar kan brengen?
A
Formeel
B
Informeel

Slide 21 - Quiz

Je werkt samen met een buitenlandse partner uit een cultuur waar formele communicatie de norm is. Spreek je direct en informeel zoals je gewend bent, met het risico als onbeleefd of respectloos te worden gezien? Of pas je je aan hun formele stijl aan, waardoor de communicatie stroever en minder spontaan kan verlopen?
A
Formeel
B
Informeel

Slide 22 - Quiz