§ 8.2 Radioactief verval

Welkom in de les
Vandaag:
  • herhaling § 8.1
  • leerdoelen § 8.2
  • uitleg § 8.2
  • maken opgaven
  • afsluiting les

 


§8.2 - Radioactief verval
1 / 47
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Welkom in de les
Vandaag:
  • herhaling § 8.1
  • leerdoelen § 8.2
  • uitleg § 8.2
  • maken opgaven
  • afsluiting les

 


§8.2 - Radioactief verval

Slide 1 - Slide

Pak je laptop erbij
 
 
- ga naar lessonup.app

Slide 2 - Slide

Herhaling §8.1
Pak je BINAS erbij (tabel 34)

Slide 3 - Slide

Wat is het massagetal van zuurstof?

Slide 4 - Open question

Hoeveel neutronen heeft stikstof?

Slide 5 - Open question

Hoeveel neutronen heeft zilver?

Slide 6 - Open question

Hoeveel elektronen heeft tin?

Slide 7 - Open question

Hoeveel elektronen heeft zwavel?

Slide 8 - Open question

De laptop weer dicht



- Uitleg § 8.2

Slide 9 - Slide

Discussievraag
Waarom is het radioactief afval verpakt in beton?

Slide 10 - Slide

Leerdoelen
Je kunt:
  • toelichten wat er met de atoomkern gebeurt als een atoom radioactief vervalt.
  • het verschil uitleggen tussen ioniserende straling en straling die niet ioniserend is.
  • een meetinstrument beschrijven waarmee ioniserende straling wordt gemeten.
  • uitleggen wat wordt bedoeld met de activiteit van een radioactief voorwerp.
  • beschrijven hoe de activiteit van een radioactief voorwerp geleidelijk afneemt.
  • uitleggen wat wordt bedoeld met de halfwaardetijd van een radioactieve isotoop.

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Video

Ioniserend vermogen
Stabiele kernen veranderen niet uit zichzelf en daardoor zijn deze stoffen niet radioactief.

Een radioactieve stof heeft atoomkernen die instabiel zijn. 
Deze kernen veranderen uit zichzelf en zenden daarbij een kleine hoeveelheid straling uit: dit noemen we radioactief verval.

Slide 13 - Slide

Ioniserend vermogen
Ioniserend vermogen: mate waarin ioniserende straling schade veroorzaakt aan atomen en moleculen van de stof waar het doorheen gaat.

Is het ioniserend vermogen groter dan is het doordringend vermogen kleiner

Slide 14 - Slide

Ioniserend vermogen
Dracht: maximale afstand die alfa- en bètastraling kan doordringen in een stof

Slide 15 - Slide

Ioniserend vermogen vs dracht
Alfastraling: Zeer hoog ioniserend vermogen (veel schade in korte afstand), maar een kleine dracht (bereik).
Bètastraling: Gemiddeld ioniserend vermogen en een grotere dracht dan alfastraling.
Gammastraling & Röntgenstraling: Relatief laag ioniserend vermogen, maar een zeer groot doordringend vermogen.

Slide 16 - Slide

Halverinsdikte
Halveringsdikte:
- de dikte van een laag materiaal
die de helft van de gammastraling
heeft geabsorbeerd.

Slide 17 - Slide

Halveringstijd
Instabiele kernen zenden kernstraling uit. 
Dit betekent dat de hoeveelheid 
radioactieve deeltjes van een 
radioactieve stof minder wordt.



Slide 18 - Slide

Halveringstijd
De tijd die nodig is om de helft van het aantal deeltjes in de bron vervallen is, noemen we de halveringstijd of de halfwaardetijd


tabel 32

Slide 19 - Slide

Halveringstijd (halfwaardetijd)
Na de halveringstijd:
- is de helft van de instabiele atoomkernen verdwenen 
(deze zijn vervallen en een ander soort atoom geworden)

- is de hoeveelheid straling ook met de helft verminderd (er blijven steeds minder instabiele kernen over)

Slide 20 - Slide

Halveringstijd
Na hoeveel seconden is de activiteit van deze stof gehalveerd? 

t = ?
Halveringstijd
Activiteit is bij 0 sec 16 Bq. De helft van 16 = 8.
Aflezen bij 8 Bq geeft dat de halveringstijd 16 seconden is.

Dus t = 16 seconden

Slide 21 - Slide

Activiteit
Activiteit
aantal kernen dat per seconde verandert

Activiteit wordt gemeten in becquerel (Bq)


Slide 22 - Slide

Activiteit
Hoe meer kernen per seconde veranderen, hoe meer straling er wordt uitgezonden.

De activiteit van een hoeveelheid materiaal wordt steeds kleiner. 

Slide 23 - Slide

Activiteit
Activiteit hangt af van:
- hoeveelheid radioactieve stof
- halfwaardetijd


Slide 24 - Slide

Meten van kernstraling
Een Geiger-Müllerteller
een instrument om te meten hoeveel kernstraling er is.

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Video

Aan de slag!
Lezen § 8.2 uit je boek

Maak de opgaven 1 t/m 10



Slide 27 - Slide

Wat weet je al???

Slide 28 - Slide

In de grond zitten radioactieve stoffen.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 29 - Quiz

Waar worden geen radioactieve stoffen gebruikt?
A
In kerncentrales
B
In papierfabrieken
C
In ziekenhuizen
D
In fluoriserend speelgoed

Slide 30 - Quiz

Radioactieve stoffen zijn
A
Stabiel
B
Instabiel

Slide 31 - Quiz

Neon-24 heeft een halfwaardetijd van 15 uur.

Hoeveel radioactiviteit is er na 30 uur nog over?

A
de helft
B
een kwart
C
een achtste
D
niets meer

Slide 32 - Quiz

radioactiviteit met je met een
A
becquerel meter
B
radio activiteit meter
C
geigerteller

Slide 33 - Quiz

De radioactiviteit van een stof (Becquerel) is een maat voor
A
hoeveel straling je ontvangt
B
hoeveel atoomkernen er vervallen

Slide 34 - Quiz

Wat is de activiteit van een kern?
A
Hoe druk wij zijn in deze les
B
Hoeveel radioactiviteit het atoom per seconde uitstraalt
C
Hoeveel er gebeurd vandaag.
D
Hoeveel instabiele kernen die per seconde vervallen

Slide 35 - Quiz

IJzer-55 heeft een halfwaardetijd van drie dagen.

Hoeveel radioactiviteit is er na zes dagen nog over?

A
de helft
B
een kwart
C
een achtste
D
niets meer

Slide 36 - Quiz

Een stof laat 75% van de opvallende gamma-straling door. De dikte van de stof is ...
A
precies de halveringsdikte
B
groter dan de halveringsdikte
C
kleiner dan de halveringsdikte
D
precies twee halveringsdiktes

Slide 37 - Quiz

Als de halveringsdikte van een materiaal 1 mm is, hoeveel straling komt er dan door een scherm van 3 mm dik.
A
30 %
B
25%
C
33,333 %
D
12,5 %

Slide 38 - Quiz

Wat is de halveringsdikte
van het plaatje?
A
6 mm
B
3 mm
C
1,8 mm
D
3,6 mm

Slide 39 - Quiz

In een reactor welke radioactiviteit vind daar plaats.
A
natuurlijke
B
kunstmatige
C
reactoriale
D
zelf gemaakte

Slide 40 - Quiz

Je kunt...
  • herkennen hoeveel protonen, neutronen en elektronen een atoom heeft;
  • verschillende eigenschappen van protonen, neutronen en elektronen benoemen;
  • isotopen herkennen en uitleggen wat isotopen zijn;
  • toelichten wanneer een atoomkern straling uitzendt.




Slide 41 - Slide

Ja, dat kan ik!
😒🙁😐🙂😃

Slide 42 - Poll

een molecuul bestaat uit
A
elektronen en protonen
B
kerndeeltjes
C
atomen

Slide 43 - Quiz

een atoomkern bestaat uit
A
elektronen en protonen
B
elektronen en neutronen
C
neutronen en protonen

Slide 44 - Quiz

Welke stof heeft de grootste halveringstijd?
A
A
B
B
C
C
D
D

Slide 45 - Quiz

Nikkel heeft een halveringstijd van 85 jaar. Stel dat je 1,6 gram nikkel hebt.
Hoe lang duurt het voordat je 0,2 gram nikkel-63 hebt?
A
85 jaar
B
255 jaar
C
425 jaar
D
510 jaar

Slide 46 - Quiz

De halveringstijd van instabiel Jodium is 8 dagen. Hoeveel procent is er na 16 dagen nog over?
A
50%
B
30%
C
25%
D
0%

Slide 47 - Quiz