grammatica herhalen 3.7 en 3.8 B1E

naamwoordelijk of werkwoordelijk gezegde? (3.7)
EN: zww, hww en kww (3.8)
1 / 27
next
Slide 1: Slide
NederlandsVoortgezet speciaal onderwijs

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

naamwoordelijk of werkwoordelijk gezegde? (3.7)
EN: zww, hww en kww (3.8)

Slide 1 - Slide

Lesplanning
Weektaak week 6: helder voor iedereen?
Oefenen met naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde en met zelfstandig werkwoord (zww), hulpwerkwoord (hww) en koppelwerkwoord (kww).
Werken aan de weektaak week 6

so volgende week vrijdag: 12 februari! (telt 2x mee)

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Die cd van Famke Louise is erg goed.

Zit er in deze zin een naamwoordelijk gezegde?
A
Ja
B
Nee

Slide 5 - Quiz

Die cd van Famke Louise is erg goed.

Wat is het naamwoordelijk gezegde?
A
is
B
is erg goed
C
die cd is goed
D
erg goed

Slide 6 - Quiz

We gaan vanavond dansen op de dansvloer!

Zit er in deze zin een naamwoordelijk gezegde?
A
Ja
B
Nee

Slide 7 - Quiz

We gaan vanavond dansen op de dansvloer!

Wat is in deze zin het werkwoordelijk gezegde?
A
gaan
B
dansen op de dansvloer
C
gaan dansen
D
gaan dansen op de dansvloer

Slide 8 - Quiz

Die jongen met dat rode gezicht bleef iets te lang onder de zonnebank.

Wat is in deze zin het werkwoordelijk gezegde?
A
bleef
B
bleef onder
C
bleef te lang
D
bleef te lang onder de zonnebank

Slide 9 - Quiz

Hoe blijf jij in vredesnaam zo slank?

Zit er in deze zin een naamwoordelijk gezegde?
A
Ja
B
Nee

Slide 10 - Quiz

Hoe blijf jij in vredesnaam zo slank?

Wat is het naamwoordelijk gezegde in deze zin?
A
blijf jij zo slank
B
blijf zo slank
C
blijf in vredesnaam
D
blijf in vredesnaam zo slank

Slide 11 - Quiz

8. Wat is in de volgende zin het werkwoordelijk gezegde?

Heb jij de tekst over de oorzaken van brandwonden gelezen?

Slide 12 - Open question

10. Wat is in de volgende zin het werkwoordelijk gezegde?

Bij huidtransplantaties kunnen stukjes huid van andere plekken worden gebruikt.

Slide 13 - Open question

Wat is het ng in de zin:
De pepernoten zijn hard en groen geworden.
A
zijn hard en groen
B
zijn hard geworden
C
zijn hard en groen geworden
D
worden hard en groen

Slide 14 - Quiz

Wat is het ng in de zin:
De pepernoten zijn geel en groen geverfd.
A
zijn geel en groen geverfd
B
zijn geel en groen
C
zijn geel geverfd zijn groen geverfd
D
er is geen ng

Slide 15 - Quiz

In een zin met een ng staat NOOIT een:
A
pv
B
ow
C
lv
D
mw

Slide 16 - Quiz

Een ng heeft altijd een
A
naamwoordelijk deel
B
een werkwoordelijk deel
C
een zelfstandig naamwoord
D
een naamwoordelijk en een werkwoordelijk deel

Slide 17 - Quiz

Wat is het ng in de zin:
Deze ingewikkelde vraag blijkt ons veel te lastig.
A
blijkt veel te lastig
B
blijkt ons veel te lastig
C
blijkt lastig
D
heeft geen ng

Slide 18 - Quiz

Welke zin heeft géén ng?
A
Het schijnt heel erg koud te zijn in de kelder.
B
In Spanje schijnt de zon altijd uitbundig.
C
Vaak schijnt een dagje pretpark teleurstellend te zijn.
D
Motorracen schijnt een gevaarlijke sport te zijn.

Slide 19 - Quiz

welk ww is géén koppelwerkwoord?
A
blijven
B
voorkomen
C
hebben
D
heten

Slide 20 - Quiz

Welk ww is géén koppelwerkwoord?
A
kijken
B
blijken
C
lijken
D
schijnen

Slide 21 - Quiz

In een ng komt altijd een kww voor
A
waar
B
niet waar
C
soms
D
hangt van het onderwerp af

Slide 22 - Quiz

In een ng komt nooit een zww voor
A
waar
B
niet waar
C
soms
D
hangt van het onderwerp af

Slide 23 - Quiz

Benoem in de volgende zin het zww, hww en kww.
Ik heb gisteren een appel gegeten.

Slide 24 - Open question

Benoem in de volgende zin het zww, hww en kww.
Onze nieuwe juf blijkt heel aardig te zijn.

Slide 25 - Open question

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide