This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes, text slides and 5 videos.
Lesson duration is: 45 min
Items in this lesson
Leerdoelen
Je kunt kenmerken van positieve en negatieve lenzen benoemen.
Je kunt positieve en negatieve lenzen onderscheiden.
Je kunt onderscheid maken tussen een reëel beeld en een virtueel beeld.
Je kunt een beeld construeren, dat gevormd wordt door een positieve lens.
Je kunt voorwerpsafstand en beeldafstand van een positieve lens beschrijven.
Slide 1 - Slide
Lenzen
voorbeelden:
bril, in fototoestel, vergrootglas
lens in oog, lens op oog.
Schijfje doorzichtig glas of kunststof.
Lenzen kunnen licht breken.
Slide 2 - Slide
Soorten lenzen
Slide 3 - Slide
Slide 4 - Slide
Positieve lens
Een positieve (bolle) lens:
- vergroot
- midden dikker dan de rand
- convergerende werking
- hoe boller de lens, des te
sterker (vergroot en
convergeert meer) de lens.
Slide 5 - Slide
Slide 6 - Slide
5.3 "beelden maken met een lens"
Slide 7 - Slide
verschil in sterkte bolle lenzen
Slide 8 - Slide
Brandpunt = waar de lichtstralen samen komen = F
brandpuntsafstand = f
Slide 9 - Slide
Slide 10 - Slide
Slide 11 - Slide
Slide 12 - Slide
Slide 13 - Slide
Bolle lens (positief):
Convergerend
Lichtstralen komen samen in het brandpunt.
De afstand van het brandpunt tot het midden van de lens heet brandpuntsafstand.
Holle lens (negatief):
Divergerend
Lichtstralen gaan uit elkaar.
De lichtstraal door het midden gaan rechtdoor.
Slide 14 - Slide
brandpuntsafstand
Hoofdas = de lijn door twee brandpunten
Optische midden (O) = Het punt midden tussen de brandpunten.
Brandpunt = Het snijpunt van de stralen.
Brandpuntsafstand (f) = de afstand van een brandpunt tot het optische midden van een lens.
Slide 15 - Slide
Slide 16 - Video
Lenzen
Holle lens:
negatieve lens
divergerende werking (lichtstralen worden uit elkaar gebogen
hoe sterker de lens, hoe verder de lichtstralen uit elkaar gebogen worden
Slide 17 - Slide
Slide 18 - Slide
Slide 19 - Slide
Slide 20 - Slide
Slide 21 - Video
Oefenen met tekenen van een beeld gemaakt met een positieve lens
Slide 22 - Slide
Oefenen met tekenen van een beeld gemaakt met een positieve lens
Tekenregels:
De stralen vanaf de uiteinden van het voorwerp tekenen
de straal midden door de lens gaat in de zelfde richting verder.
de straal loodrecht op de lens (evenwijdig aan de hoofdas) gaat door het brandpunt
de straal door het brandpunt voor de lens gaat na de lens evenwijdig aan de hoofdas verder.
het beeld ontstaat daar waar de drie stralen elkaar kruisen.
Slide 23 - Slide
Tekenen van beeld bij een positieve lens
Slide 24 - Slide
Slide 25 - Video
phet.colorado.edu
Slide 26 - Link
Een lichtstraal door het optisch midden
Een lichtstraal evenwijdig aan de hoofdas en dan door brandpunt achter de lens
Een lichtstraal vanuit brandpunt dan achter de lens evenwijdig aan de hoofdas.
Beeld construeren
Slide 27 - Slide
Construeren
Met een bolle lens kun je een beeld maken van een voorwerp.
Slide 28 - Slide
Construeren
Slide 29 - Slide
Veel gemaakte fout !!
Slide 30 - Slide
Onthouden !
Een positieve lens is een bolle lens.
Een negatieve lens is een holle lens.
De lichtstralen uit een bolle lens komen bij elkaar in het brandpunt.
Het brandpunt geef je aan met de hoofdletter F.
De afstand van de lens tot het brandpunt is de brandpunts-afstand.
Hoe kleiner de brandpunts-afstand, hoe sterker de lens.
Een positieve lens heeft een convergerende werking ( naar elkaar toe).
Een negatieve lens heeft een divergerende werking (van elkaar af).
Slide 31 - Slide
Aan de slag
Lezen en maken 5.3 in BOEK!
BLZ 36
Slide 32 - Slide
Slide 33 - Video
Slide 34 - Video
Van wat voor type weerkaatsing is dit een voorbeeld?
A
Diffuus
B
Spiegel
Slide 35 - Quiz
Waar is het spiegelbeeld?
A
Onder het water
B
Op het water
C
Boven het water
Slide 36 - Quiz
Waar is het spiegelbeeld?
A
Voor de spiegel
B
Op de spiegel
C
Achter de spiegel
Slide 37 - Quiz
Wat weet je van de afstand tussen het spiegelbeeld en de spiegel en het afstand tussen het voorwerp en de spiegel?
A
Van spiegelbeeld is groter
B
Van voorwerp is groter
C
Even groot
Slide 38 - Quiz
waar bevindt het spiegelbeeld zich?
A
loodrecht achter de spiegel
B
in de spiegel
C
voor de spiegel
D
op de plaats van het voorwerp
Slide 39 - Quiz
Hoe heet de lijn die loodrecht op de spiegel staat?
A
De normaal
B
Hoek van inval
C
Hoek van terugkaatsing
D
geen idee
Slide 40 - Quiz
Bij terugkaatsing van een lichtstraal op een spiegel, moet je de hoek van inval en de hoek van terugkaatsing kennen. Welke hoek in figuur 1 is de hoek van terugkaatsing?