2.3 Beelden maken met lenzen( 23-09-2025)

Leerdoelen
  • Je kunt kenmerken van positieve en negatieve lenzen benoemen. 
  • Je kunt positieve en negatieve lenzen onderscheiden. 
  • Je kunt onderscheid maken tussen een reëel beeld en een virtueel beeld. 
  • Je kunt een beeld construeren, dat gevormd wordt door een positieve lens.
  • Je kunt voorwerpsafstand en beeldafstand van een positieve lens beschrijven. 
1 / 41
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 3

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes, text slides and 5 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Leerdoelen
  • Je kunt kenmerken van positieve en negatieve lenzen benoemen. 
  • Je kunt positieve en negatieve lenzen onderscheiden. 
  • Je kunt onderscheid maken tussen een reëel beeld en een virtueel beeld. 
  • Je kunt een beeld construeren, dat gevormd wordt door een positieve lens.
  • Je kunt voorwerpsafstand en beeldafstand van een positieve lens beschrijven. 

Slide 1 - Slide

Lenzen
voorbeelden:
bril, in fototoestel, vergrootglas
lens in oog, lens op oog.
Schijfje doorzichtig glas of kunststof. 
Lenzen kunnen licht breken. 

Slide 2 - Slide

Soorten lenzen

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Positieve lens
Een positieve (bolle) lens:
- vergroot 
- midden dikker dan de rand
- convergerende werking
- hoe boller de lens, des te 
   sterker (vergroot en
  convergeert meer) de lens.

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

5.3 "beelden maken met een lens"

Slide 7 - Slide

verschil in sterkte bolle lenzen

Slide 8 - Slide

Brandpunt = waar de lichtstralen samen komen = F
brandpuntsafstand = f

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Bolle lens (positief):
Convergerend
Lichtstralen komen samen in het brandpunt.
De afstand van het brandpunt tot het midden van de lens heet brandpuntsafstand.



Holle lens (negatief):
Divergerend
Lichtstralen gaan uit elkaar.
De lichtstraal door het midden gaan rechtdoor.

Slide 14 - Slide

brandpuntsafstand
  • Hoofdas = de lijn door twee brandpunten
  • Optische midden (O) = Het punt midden tussen de brandpunten.

  • Brandpunt = Het snijpunt van de stralen. 

  • Brandpuntsafstand (f) = de afstand van een brandpunt tot het optische midden van een lens. 

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Video

Lenzen
Holle lens:
  • negatieve lens
  • divergerende werking (lichtstralen worden uit elkaar                         gebogen
  • hoe sterker de lens, hoe verder de lichtstralen uit elkaar                  gebogen worden

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Video

Oefenen met tekenen van een beeld gemaakt met een positieve lens

Slide 22 - Slide

Oefenen met tekenen van een beeld gemaakt met een positieve lens
Tekenregels:
De stralen vanaf de uiteinden van het voorwerp tekenen
  1. de straal midden door de lens gaat in de zelfde richting  verder.
  2. de straal loodrecht op de lens (evenwijdig aan de hoofdas)  gaat door het        brandpunt
  3. de straal door het brandpunt voor de lens gaat na de lens evenwijdig aan        de hoofdas verder.
  4. het beeld ontstaat daar waar de drie stralen elkaar kruisen.

Slide 23 - Slide

Tekenen van beeld bij een positieve lens

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Video

Slide 26 - Link

Een lichtstraal door het optisch midden

Een lichtstraal evenwijdig aan de hoofdas en dan door brandpunt achter de lens

Een lichtstraal vanuit brandpunt dan achter de lens evenwijdig aan de hoofdas. 
Beeld construeren

Slide 27 - Slide

Construeren
Met een bolle lens kun je een beeld maken van een voorwerp. 

Slide 28 - Slide

Construeren

Slide 29 - Slide

Veel gemaakte fout !!

Slide 30 - Slide

Onthouden !
  • Een positieve lens is een bolle lens. 
  • Een negatieve lens is een holle lens. 
  • De  lichtstralen uit een bolle lens komen bij elkaar in het brandpunt. 
  • Het brandpunt geef je aan met de hoofdletter F. 
  • De afstand van de lens tot het brandpunt is de brandpunts-afstand. 
  • Hoe kleiner de brandpunts-afstand, hoe sterker de lens. 
  • Een positieve lens heeft een convergerende werking ( naar elkaar toe). 
  • Een negatieve lens heeft een divergerende werking (van elkaar af).

Slide 31 - Slide

Aan de slag
Lezen en maken 5.3 in BOEK!

BLZ 36

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Video

Slide 34 - Video

Van wat voor type weerkaatsing is dit een voorbeeld?
A
Diffuus
B
Spiegel

Slide 35 - Quiz

Waar is het spiegelbeeld?
A
Onder het water
B
Op het water
C
Boven het water

Slide 36 - Quiz

Waar is het spiegelbeeld?
A
Voor de spiegel
B
Op de spiegel
C
Achter de spiegel

Slide 37 - Quiz

Wat weet je van de afstand tussen het spiegelbeeld en de spiegel en het afstand tussen het voorwerp en de spiegel?
A
Van spiegelbeeld is groter
B
Van voorwerp is groter
C
Even groot

Slide 38 - Quiz

waar bevindt het spiegelbeeld zich?

A
loodrecht achter de spiegel
B
in de spiegel
C
voor de spiegel
D
op de plaats van het voorwerp

Slide 39 - Quiz

Hoe heet de lijn die loodrecht op de spiegel staat?
A
De normaal
B
Hoek van inval
C
Hoek van terugkaatsing
D
geen idee

Slide 40 - Quiz

Bij terugkaatsing van een lichtstraal op een spiegel, moet je de hoek van inval en de hoek van terugkaatsing kennen.
Welke hoek in figuur 1 is de hoek van terugkaatsing?
A
hoek 1
B
hoek 2
C
hoek 3
D
hoek 4

Slide 41 - Quiz