Taalweb 1 – Beestige start herhaling

1 / 21
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsBuitengewoon secundair onderwijsB-stroomType 3Opleidingsvorm 4Leerjaar 1

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

Gebruik een rustige start. Benoem dat dit een korte herhaling is als voorbereiding op de digitale zelftoets in LessonUp.

Dit kan ik na deze les

Ik pas de geziene leerstof van afgelopen thema toe in korte oefeningen.

This item has no instructions

Gedicht: rijm en strofe

Lees:


De poes zit op de trap,

ze wacht daar op een hap.


De hond loopt in het rond,

en snuffelt aan de grond.


Meerkeuzevraag. Correct antwoord: A. Laat leerlingen eerst tellen: witregel = nieuwe strofe.

Wat klopt bij dit gedicht?

A

2 strofes en rijm

B

1 strofe en geen rijm

C

4 strofes en rijm

D

3 strofes en geen rijm

Sluit aan bij slide 2. Laat leerlingen letten op de witregel voor de strofe en op trap-hap en rond-grond voor het rijm.

Verhaal: terugvinden of afleiden

Lees.


Bram neemt zijn jas en kijkt naar buiten. De straat is nat, dus bij de deur neemt hij zijn paraplu. Er liggen overal plassen water voor de voordeur. Bram besluit om dan maar zijn waterdichte schoenen aan te doen. Nu is hij klaar om naar school te vertrekken.





Sleepvraag. Correct: 'Het regent buiten' bij afleiden; 'Sam gaat zwemmen' hoort nergens inhoudelijk, maar binnen deze opzet ook bij afleiden als fout afleiding. Bespreek waarom die afleiding niet logisch is.

Wat leid je af uit de tekst over Bram?

A

Bram gaat zwemmen

B

Het regent buiten

C

Bram leest een boek

D

De straat is droog

Sluit aan bij slide 3. Bespreek dat 'De straat is nat' en 'paraplu' samen helpen om iets af te leiden.

Werkwoord herkennen

Lees de zin.





Meerkeuzevraag. Correct antwoord: B. Herinner: een werkwoord zegt wat iemand of iets doet of wat er gebeurt.

Welk woord is het werkwoord?

A

slimme

B

hek

C

snel

D

springt

Sluit aan bij slide 4. Een werkwoord zegt wat iemand of iets doet of wat er gebeurt.

Infinitief met ‘ik zal …’

Lees de zin.




Korte interactieve check. Correct antwoord: B. Laat leerlingen de truc hardop toepassen: ik zal tekenen.

Vul de juiste woorden in.

In de zin ‘De slimme vos springt snel over het hek’ is springt het werkwoord. Met de truc ‘ik zal …’ krijg je de infinitief: ik zal springen.

springt
springt
springen
springt snel
gesprongen
hek
slimme

Sluit aan bij slides 4 en 5. Laat leerlingen eerst het werkwoord zoeken en daarna de infinitief vormen met 'ik zal ...'.

Voorspellen voor je leest

Bekijk de afbeelding en denk na waarover de tekst zou gaan als je deze afbeelding ziet.




Meerkeuzevraag. Correct antwoord: A. Verwijs expliciet naar titel, tussentitel en afbeelding als bronnen voor een voorspelling.

Wat is de beste voorspelling?

A

een begeleidingshond helpt op school

B

een begeleidingshond die kan lezen

C

een begeleidingshond die thuis een kind helpt

D

een kind die een begeleidingshond helpt

Sluit aan bij slide 6. Leerlingen gebruiken titel, tussentitel en afbeelding samen.

Vul de tekst aan.

Een tekst heeft vaak een duidelijke opbouw. In de inleiding begint de tekst. In het midden krijg je meer uitleg. In het slot rond de tekst af.

inleiding
midden
slot
titel
strofe
rijm
fragment

Sluit aan bij slide 7. Laat leerlingen de woorden koppelen aan begin, uitleg en afronding.

Welk -ig-woord is juist geschreven?

A

hevich

B

gelukig

C

koppigg

D

bezig

Sluit aan bij slide 9. Geen nieuwe regeluitleg nodig, alleen herkenning van de juiste spelling.

Vul de schooltaalwoorden in.

Een fragment is een klein deel van een tekst. Een kenmerk is een eigenschap van iets of iemand. Iets kan ook opvallen als je het snel ziet.

fragment
kenmerk
opvallen
vergelijken
achterhalen
beoordelen
rijm

Sluit aan bij slide 10. Dit vervangt de koppelvraag met een invuloefening, maar test dezelfde betekenissen.

Herhaling klaar!

Hierna maak je de digitale zelftoets van Thema 1 in LessonUp.


Werk zelfstandig en lees elke vraag rustig.

Sluit rustig af en geef een duidelijke overgang naar de aparte digitale zelftoets.

Wat onthoud jij het best van deze herhaling?

Metacognitische afsluiter. Mogelijke antwoorden: rijm, strofe, afleiden, werkwoord, infinitief, voorspellen, luisteren, -ig-woorden, schooltaalwoorden.

Wat vond jij nog moeilijk vandaag?

Metacognitische reflectie. Laat leerlingen kort benoemen wat nog moeilijk voelt, bijvoorbeeld afleiden of infinitief zoeken.

Woordenlijst

rijm - woorden die hetzelfde of bijna hetzelfde klinken op het einde

strofe - een groep versregels in een gedicht

werkwoord - een woord dat zegt wat iemand of iets doet of wat er gebeurt

infinitief - de hele vorm van een werkwoord, zoals lopen

inleiding - het begin van een tekst

midden - het deel waarin de tekst verdergaat

slot - het einde van een tekst

This item has no instructions

Woordenlijst

voorspellen - vooraf denken waarover een tekst zal gaan

afleiden - begrijpen wat er bedoeld wordt zonder dat het letterlijk staat

kenmerk - een eigenschap van iets of iemand

opvallen - snel gezien worden of de aandacht trekken

fragment - een klein deel van een tekst

vergelijken - zeggen wat hetzelfde of anders is

achterhalen - iets te weten komen

This item has no instructions

Woordenlijst

beoordelen - zeggen wat je ergens van vindt op basis van wat je ziet, leest of hoort

gericht luisteren - luisteren met een duidelijke zoekopdracht

relevante informatie - informatie die je nodig hebt voor je opdracht

-ig-woord - een woord dat eindigt op -ig, zoals grappig of slordig

This item has no instructions