Clase 23. Repaso unidad 4

¡Bienvenidos chicos y chicas!
1 / 41
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

¡Bienvenidos chicos y chicas!

Slide 1 - Slide

¡Repasamos unidad 4!

Slide 2 - Slide


Ik ken 5 Spaanse gerechten en hun ingrediënten.
1 (NO)
2
3
4
5
6
7
8
9
10 (SÍ, POR SUPUESTO)

Slide 3 - Poll


Ik ken 20 namen van levensmiddelen in het Spaans.
1 (NO)
2
3
4
5
6
7
8
9
10 (SÍ, POR SUPUESTO)

Slide 4 - Poll


Ik kan het werkwoord “querer” (willen) vervoegen.
1 (NO0
2
3
4
5
6
7
8
9
10 (SÍ, POR SUPUESTO0

Slide 5 - Poll


Ik kan aangeven wat ik wil door gebruik te maken van het ww querer.

1 (NO)
2
3
4
5
6
7
8
9
10 (SÍ, POR SUPUESTO)

Slide 6 - Poll


Ik kan het weerwoord “ gustar” (leuk/lekker vinden) vervoegen. 
1 (NO)
2
3
4
5
6
7
8
9
10 (SÍ, POR SUPUESTO)

Slide 7 - Poll


Ik kan aangeven of ik iets wel of niet leuk/lekker vind door middel van het ww gustar.
1 (NO)
2
3
4
5
6
7
8
9
10(SÍ, POR SUPUESTO

Slide 8 - Poll


Ik ken de onbepaalde lidwoorden in het Spaans.
1 (NO)
2
3
4
5
6
7
8
9
10 (SÍ, POR SUPUESTO)

Slide 9 - Poll


Ik weet wat telbare en niet-telbare woorden in het Spaans zijn.
1 (NO)
2
3
4
5
6
7
8
9
10 (SÍ, POR SUPUESTO)

Slide 10 - Poll


Ik weet wanneer “Hay” (er is/er zijn) in het Spaans moet gebruiken.
1 (NO)
2
3
4
5
6
7
8
9
10 (SÍ, POR SUPUESTO)

Slide 11 - Poll


Ik ken alle woorden en de frases claves van unidad 4.
1 (NO)
2
3
4
5
6
7
8
9
10 (SÍ, POR SUPUESTO)

Slide 12 - Poll

Vertaal de zin naar het Spaans:
Wat wil je eten?

Slide 13 - Open question

Vertaal de zin naar het Spaans:
Ik vind de paella niet lekker.

Slide 14 - Open question

Vertaal de zin naar het NL:
Quiero agua y un helado.

Slide 15 - Open question

Wat betekent het werkwoord gustar?

Slide 16 - Open question

Slide 17 - Slide

Maak de juiste keuze:

* (A mí) me...………... la clase de español


A
gustan
B
gusta
C
gusto
D
gustas

Slide 18 - Quiz

Maak de juiste keuze:

* (A ti) no ...………... el color verde.


A
te gustan
B
te gusta
C
me gusto
D
les gustas

Slide 19 - Quiz

Vul de juiste vorm in van 'gustar':

(A María).............los deportes.
A
te gustas
B
le gusta
C
le gustan
D
te gusto

Slide 20 - Quiz

Vul juiste vorm van gustar (en meewerkend voorwerp) in
A ellos ______________ el fútbol

Slide 21 - Open question

Vul juiste vorm van gustar (en meewerkend voorwerp) in
A Juan ___________ comer mucho.

Slide 22 - Open question

Vul juiste vorm van gustar (en meewerkend voorwerp) in
A ella ___________ los helados de fresa.

Slide 23 - Open question

Slide 24 - Slide

Zet de woorden in de juiste volgorde:
las /gustan/No/verduras/nada/me/.

Slide 25 - Open question

Zet de woorden in de juiste volgorde:
en/Hay/cocina/bocadillo/un/la.

Slide 26 - Open question

Plaats de zelfstandige naamwoorden bij het juiste lidwoord.
una
unos
unas
un
chico
carpeta
diccionarios
amigo
bolígrafos
sillas
alumno
chicas
tijeras
lápiz

Slide 27 - Drag question

Schrijf waar nodig het onbepaald lidwoord (un, una, unos, unas):

"De postre quiero.........pera"

Slide 28 - Open question

Schrijf waar nodig het onbepaald lidwoord (un, una, unos, unas):

"¿Dónde hay............restaurante italiano?"

Slide 29 - Open question

Schrijf waar nodig het onbepaald lidwoord (un, una, unos, unas):

"Quiero...........leche y galletas para desayunar"

Slide 30 - Open question

Hay: er is, er zijn
HAY gebruik je voor onbepaalde zaken of personen in zowel enkelvoud als meervoud. HAY gebruik je in combinatie met onbepaalde lidwoorden (un, una, unos, unas, nummers en mucho-s, mucha-s)

Er zijn (liggen) twee appels in de koelkast.      Hay dos manzanas en la nevera.
Er zijn veel winkels in Den Bosch.                  Hay muchas tiendas en Den Bosch.
Er zijn enkele leerlingen in het lokaal.         Hay unos estudiantes en la clase
Er is geen kaas in de koelkast.                        No hay queso en la nevera. 


Slide 31 - Slide

Vertaal naar het Spaans.
Er liggen drie peren in de koelkast.
A
Hay tres manzanas en la nevera.
B
Hay tres peras en la nevera.
C
Hiy tres peras en el nevera.
D
Huy tres peras en la nevera.

Slide 32 - Quiz

Er zijn veel winkels in Dordrecht.
A
Hay muchas tiendas en Dordrecht.
B
Huy mucho tienda en Dordrecht.
C
Hey muchas tiendo en Dordrecht.
D
Hiy mucho tienda en Dordrecht.

Slide 33 - Quiz

Er is geen melk in de koelkast.
A
No hay leche en la nevera.
B
No hay agua en la nevera.
C
Hay leche en la nevera.
D
No hoy leche en la nevera.

Slide 34 - Quiz

Er is geen brood in de koelkast.
A
No hey pan en la nevera.
B
No pan en la nevera.
C
Hay pan en la nevera.
D
No hay pan en la nevera.

Slide 35 - Quiz

Yo
Él, ella, usted
Nosotros/as
Vosotros/as
Ellos/as, ustedes
quiero
queréis
quieres
queremos
quiere
quieren

Slide 36 - Drag question

Vul de juiste vorm van querer in.
Yo... dos plátanos
A
quiero
B
quieres
C
quiere
D
queremos

Slide 37 - Quiz

Y vosotros, ¿... un bocadillo de jamón y queso?
A
quiero
B
quiere
C
quieres
D
queréis

Slide 38 - Quiz

Vocabulario unidad 4 
Practicamos el vocabulario con Blooket

Slide 39 - Slide

Slide 40 - Link


¿Cómo has trabajado hoy en clase?
😒🙁😐🙂😃

Slide 41 - Poll