Organiseer je eigen Free Walking Tour, clase 3

Organiseer je eigen Free Walking Tour
Clase 3
1 / 40
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Organiseer je eigen Free Walking Tour
Clase 3

Slide 1 - Slide

Programa de hoy
  • El alfabeto español
  • Verbos regulares
  • Ir + en + vervoersmiddel
  • Vocabulario: lugares - ciudad
  • El lenguaje corporal
  • Preguntas - respuestas

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Verbos regulares

Slide 5 - Slide

Vervoeg het regelmatige werwoord.
El hombre ______(beber) mucho.

Slide 6 - Open question

Vervoeg het regelmatige werkwoord.
Nosotros_____(cantar) una canción.

Slide 7 - Open question

Vervoeg het regelmatige werkwoord:
La chica______(bailar) mucho.

Slide 8 - Open question

Vervoeg het regelmatige werkwoord.
Elena y María ______ (hablar) en español.

Slide 9 - Open question

Vervoeg het regelmatige werkwoord.
Ellos____(vivir) en España

Slide 10 - Open question

Vervoeg het regelmatige werkwoord. Yo____ (escribir) mis mensajes en Whatsapp.

Slide 11 - Open question

Vervoeg het regelmatige werkwoord.
Vosotros _____ (comer) un bocadillo con queso.

Slide 12 - Open question

Slide 13 - Link

ir = gaan

Slide 14 - Slide

IR + en + vervoersmiddel
IR wordt in combinatie met en” gebruikt om aan te geven met welk vervoersmiddel wordt gereisd:
                                     Voy en coche. 
                                     Voy en bicicleta. 
                           
 MAAR: Voy pie (ik ga te voet).
  

Slide 15 - Slide

Medios de transporte

Slide 16 - Slide

Ir
Ir a + bestemming = gaan naar
  • Vamos a la playa.

Ir en + voertuig = gaan met
  • Voy en autobús.

Ir a + werkwoord = gaan doen
  • Juan va a bailar

Slide 17 - Slide

IR
Kies de juiste vervoeging
Tú (ir)___ a España
A
va
B
vais
C
van
D
vas

Slide 18 - Quiz

IR
Kies de juiste vervoeging
Yo (Ir)___ a la playa
A
vay
B
voy
C
vo
D
va

Slide 19 - Quiz

IR
Kies de juiste vervoeging
Él (Ir)__ a bailar
A
ves
B
vas
C
ve
D
va

Slide 20 - Quiz

IR
Kies de juiste vervoeging
Vosotros (Ir)___ de compras
A
veis
B
vamos
C
vemos
D
vais

Slide 21 - Quiz

Ir en avión=
A
in het vliegtuig
B
met het vliegtuig gaan
C
wij gaan met het vliegtuig
D
het vliegtuig vliegt

Slide 22 - Quiz

Ir en bici=
A
te voet gaan
B
met de motor gaan
C
met de bus gaan
D
met de fiets gaan

Slide 23 - Quiz

Ir ... pie
A
a
B
en
C
de

Slide 24 - Quiz

Met de auto gaan=
A
Ir en moto
B
Ir a caballo
C
Ir en coche
D
Ir en barco

Slide 25 - Quiz

Ir en barco=
A
Met de boot gaan
B
Naar de bar gaan
C
Met de metro gaan
D
Wij zitten op de boot

Slide 26 - Quiz

Vocabulario - ¡A practicar!
Lugares - ciudad

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Link

El lenguaje corporal


Bekijk het filmpje van Free Tours Madrid. 
Let goed op intonatie en lichaamstaal!

Slide 29 - Slide


Wat doen de gidsen om hun enthousiasme over hun stad uit te drukken?

Slide 30 - Mind map

Slide 31 - Video

Preguntas

Slide 32 - Slide

Bekijk de plaatjes. Wat betekenen de vraagwoorden?

Slide 33 - Slide

Preguntas generales
¿Cómo te llamas?
¿Cuántos años tienes?
¿De dónde eres?
¿Dónde vives?
¿Cómo estás?
¿Qué tal?

Me llamo Elisa.
Tengo 15 años.
Soy de Holanda.
Vivo en Arnhem.
¡Muy bien!
¡Muy bien!

Slide 34 - Slide

Welke vragen kun je tijdens een Free Walking Tour verwachten?

Slide 35 - Mind map

Wat zeg je in de volgende situaties? 
zie bestand 'pregunta y respuesta'in Teams 
1. Iemand stelt je een vraag. Je begrijpt de vraag niet.
2. Iemand stelt je een vraag. Je begrijpt de vraag wel, maar het antwoord niet.
3. De persoon met wie je praat spreekt veel te snel.
4. Je hebt de vraag niet goed verstaan en wilt hem nog eens horen.
5. Je wilt iets zeggen in het Spaans, maar weet het juiste woord niet.
6. Je begrijpt een woord niet en wilt vragen om de betekenis.


 ¿Cómo se dice … en español?
- ¿Puedes hablar más despacio?
- ¿Puedes repetir la pregunta?
- ¿Qué significa?
- No lo entiendo.
- No lo sé.

Slide 36 - Slide

Kies uit de volgende Spaanse zinnen:
- ¿Cómo se dice … en español?
- ¿Puedes hablar más despacio?
- ¿Puedes repetir la pregunta?
- ¿Qué significa?
- No lo entiendo.
- No lo sé.

Slide 37 - Slide

Antwoorden:
5- ¿Cómo se dice … en español?
3- ¿Puedes hablar más despacio?
4- ¿Puedes repetir la pregunta?
6- ¿Qué significa?
1- No lo entiendo.
2- No lo sé.

Slide 38 - Slide

Para la próxima clase
Preguntas inesperadas (zie in Teams - algemene kanaal - bestanden - lesmateriaal - pregunta y respuesta)

Slide 39 - Slide

Slide 40 - Link