week 15

Buenos días
¿Qué vamos a hacer?
  • La familia 
  • los posesivos
  • Afmaken & nakijken tarea 1.1 y 1.2
  • Verbos ser, llamarse y tener
  • Werken op eigen leerdoelen
semana 15
1 / 41
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Buenos días
¿Qué vamos a hacer?
  • La familia 
  • los posesivos
  • Afmaken & nakijken tarea 1.1 y 1.2
  • Verbos ser, llamarse y tener
  • Werken op eigen leerdoelen
semana 15

Slide 1 - Slide

Een dorp in Zaragoza straft kinderen die op de boulevard voetballen
  • 13.000 inwoners
  • veel kinderen jonger dan 15 jaar
  • boetes tussen de 50 en 720 euro
  • Politie kan nu optreden door nieuwe wet vanaf 15 april
  • multifunctioneel speelterrein aan te leggen in het stadspark of de deuren van schoolpleinen open te stellen voor kinderen ouder dan 4 jaar.

Slide 2 - Slide

Los deberes
leren: werkwoord ser, tener en llamarse
bezittelijke voornaamwoorden
herhalen woorden 1.1 
Maken: LA blz 52 oefening 2 en 3
 LE: ej. 3.1, 3.2, 3.4, 3.5
Kijk filmpje module 3, blz 18 en lees blz 19

Slide 3 - Slide

Aan het einde van deze les
  • Ken ik de namen van familieleden
in het Spaans.
  • Ken ik de bezittelijke voornaamwoorden
  • Ken ik (nog steeds/nu wel)de vervoegingen van de regelmatige werkwoorden
  • Ken ik (nog steeds/nu wel) de vervoegingen van ser, tener en llamarse

LEERDOELEN

Slide 4 - Slide

Afmaken module
Bladzijde 13 en 14
Bladzijde 16 en 17
timer
7:00
Je mag eventueel fluisterend overleggen

Slide 5 - Slide

Corregimos
werkblad oefening 5
1. Soy/ me llamo            soy          vivo          tengo
2. Soy/ me llamo           soy          vivo          tengo
3. es      soy       soy     tengo

Slide 6 - Slide

La familia

Módulo:corregimos ej 1.2 A+B pág 13 y 14
Hacemos ej.1.2 C

leerdoel: familieleden
Módulo pág. 13, 14

Slide 7 - Slide

uitwerking
A. 
1. hija
2. marido (José is de naam van een man in Spanje)
3. nieto
4. madre
5. abuelo
6. padres 
 

B.
1. Las hijas
2. los hijos
3. los hermanos
4. la hermana
5. los nietos
6. la nieta
7. los nietos

C.
1. Gloria
2. Paco
3. Emilia
4. Juan
5. Ana
6. Carlos
7. Lola
LEERDOEL: WERKWOORDEN

Slide 8 - Slide

Ser    tener  llamarse
ser
soy
eres
es
somos
sois
son
tener
tengo
tienes
tiene
tenemos
tenéis
tienen
llamarse
me llamo
te llamas
se llama
nos llamamos
os llamáis
se llaman
Módulo pág. 15

Slide 9 - Slide




Haz de tu módulo pág. 16/17 ej. A, B, C, D

Slide 10 - Slide

uitwerking
A.
1. tienes
2. tengo
3. tiene
4. tenemos
5. tienen
6. tenéis
7. tiene
B.
1. se llama
2. se llama
3. se llaman
4. te llamas
5. me llamo
6. nos llamamos

C.
1. eres
2. soy
3. son
4. sois
5. somos
6. es
LEERDOEL: WERKWOORDEN
D. 
1. soy / me llamo
2. tengo
3. soy
4. tengo
5. se llama
6. se llama
7. tiene
8. tiene
9. tengo
10. se llaman

11. tiene 
12. tiene
13. es
14. son

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Link

Bezittelijk vnw.
Wat is een bezittelijk vnw in het Nederlands?
Een woord wat het bezit aangeeft: mijn, jouw, zijn, haar etc.
LEERDOEL: bezittelijk voornaamw.

Slide 13 - Slide



Met het bezittelijk voornaamwoord kun je aangeven van wie iets/iemand is.
Je kan er bijvoorbeeld:
  1. jouw familie mee beschrijven.
  2. vragen wat iemands favoriete....... is en om daarop te antwoorden.
  3. Naar persoonlijke informatie vragen
  1. Mi familia es grande. 
Mis padres se llaman Enrique y Ana.

2. ¿ Cuál es tu animal favorito?
Mi animal favorito es el león.

3. ¿Cuál es tu número de teléfono?
Mi número de teléfono es el 06-12345678
¿Cuál es tu dirección? 


Wat kan ik met de bezittelijke voornaamwoorden?

Slide 14 - Slide

Bezittelijk vnw.
mijn
jouw
zijn/haar/uw
ons/onze
jullie
hun/uw
mi
tu
su
nuestro
vuestro
su
mi
tu
su
nuestra
vuestra
su
mis
tus
sus
nuestros
vuestros
sus
mis
tus
sus
nuestras
vuestras
sus
enkelvoud
meervoud
mnl.
mnl.
vr.
vr.
LEERDOEL: bezittelijk voornaamw.
Welke verschillen zien jullie?

Slide 15 - Slide

Bezittelijk vnw.
  • Het bezittelijk vnw. richt zich in het Spaans naar het bezit en niet naar de bezitter zoals in het Nederlands. 
  • Is het bezit meervoud, dan wordt het bezittelijk vnw. ook meervoud. Bij nuestro/vuestro heb je ook nog een vrouwelijke vorm --> nuestra/vuestra. 
  • Kijk naar het woord wat erachter staat. Is dat meervoud, dan wordt het bez. vnw. ook meervoud. Is het vrouwelijk dan verandert nuestro/vuestro in nuestra/vuestra
LEERDOEL: bezittelijk voornaamw.
Módulo pág. 20, 21, 

Slide 16 - Slide

voorbeelden:
  • mi casa                         =   mijn huis
  • tus libros                      =   jouw boeken
  • nuestra profesora        =   onze lerares
  • sus amigos                   =   zijn/haar vrienden
LEERDOEL: bezittelijk voornaamw.
Módulo pág. 20, 21, 

Slide 17 - Slide

14

Slide 18 - Video

00:23
Wat betekent 'mi'?

Slide 19 - Open question

00:29
Wat betekent 'mi mujer'?

Slide 20 - Open question

00:38
Waarom is het 'mi hijo'
maar 'mis hijos' ?

Slide 21 - Mind map

00:48
Wat betekent 'mis padres'?

Slide 22 - Open question

00:56
Wat betekent 'sus padres' in dit stukje uit het filmpje?

Slide 23 - Open question

01:12
Wat betekent 'sus' in dit stukje van het filmpje?

Slide 24 - Open question

01:27
Wat betekent 'hermano'?

Slide 25 - Open question

01:38
Wat betekent 'tía'?

Slide 26 - Open question

01:47
Wat betekent 'nuestra familia'?

Slide 27 - Open question

01:58
............... (onze) padres

Slide 28 - Open question

02:16
¿Cómo se llaman
tus padres?

Slide 29 - Mind map

02:23
Wat betekent 'vuestra comida favorita'?

Slide 30 - Open question

02:27
Wat betekent 'vuestras vacaciones'?

Slide 31 - Open question

02:35
Waneer gebruik je
"vuestro/vuestra/vuestros/vuestras" ?
Kun je een voorbeeld geven?

Slide 32 - Mind map

Ahora vosotros.

Slide 33 - Slide

Esta es _______ amiga.
A
mi
B
mis

Slide 34 - Quiz

¿Dónde están ________ libros?
A
tu
B
tus

Slide 35 - Quiz

__________ abuela es muy simpática.
A
nuestro
B
nuestra

Slide 36 - Quiz

__________ mochilas están en la clase.
A
vuestros
B
vuestras

Slide 37 - Quiz

___________ amigos están en casa.
A
su
B
sus

Slide 38 - Quiz

__________ alumnos están en casa.
A
nuestros
B
nuestras

Slide 39 - Quiz

¡A trabajar! Los deberes
leren: werkwoord ser, tener en llamarse
bezittelijke voornaamwoorden
herhalen woorden 1.1 
Maken: LA blz 52 oefening 2 en 3
 LE: ej. 3.1, 3.2, 3.4, 3.5
Kijk filmpje module 3, blz 18 en lees blz 19

Slide 40 - Slide

verbos regulares módulo p.53 
yo
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes
hablar
hablo
hablas
habla
hablamos
habláis
hablan
comer
como
comes
come
comemos
coméis
comen
vivir
vivo
vives
vive
vivimos
vivís
viven
praten
eten
wonen/leven
Leerdoel: werkwoorden

Slide 41 - Slide