7.1 en 7.2

7.1 en 7.2
1 / 26
next
Slide 1: Slide
Mens & MaatschappijMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes, text slide and 1 video.

Items in this lesson

7.1 en 7.2

Slide 1 - Slide

De republiek werd bestuurd door regenten. Regenten zijn....
A
machtige burgers uit rijke koopmanfamilies
B
machtige edellieden die veel handelden
C
mensen van adel met veel geld
D
een koning zoals Willem van Oranje

Slide 2 - Quiz

Wat was de Staten Generaal?
A
Het dagelijks bestuur van de republiek
B
De vergadering van de zeven provincies van de Nederlanden.
C
Volksvertegenwoordiging
D
De handel

Slide 3 - Quiz

Geld in een bedrijf steken.
Geld investeren om winst te maken
Handelsmaatschappij
Kapitalisme
Investeren
Compagnie

Slide 4 - Drag question

De VOC was een bedrijf uit
A
Engeland
B
Duitsland
C
Nederland
D
Indonesie

Slide 5 - Quiz

Wat was de belangrijkste activiteit van de VOC?
A
Gebieden veroveren in Zuid-Amerika
B
Ontdekkingsreizen maken naar het noordpoolgebied
C
Handel drijven met Zuidoost-Azie
D
Handelsposten bouwen in het noorden van Afrika

Slide 6 - Quiz

Het belangrijkste product van de VOC was
A
slaven
B
specerijen
C
porselein
D
katoen

Slide 7 - Quiz

Waarom ging de VOC failliet?
A
Doordat de VOC slecht werd bestuurd.
B
Door de concurrentie.
C
Beide antwoorden zijn juist

Slide 8 - Quiz

De VOC had een aantal rechten.
Wat was geen recht van de VOC?
A
De VOC mocht oorlog voeren en forten bouwen
B
De VOC mocht verdragen sluiten
C
De VOC mocht Nederland besturen .
D
De VOC mocht als enige handel drijven met Azië

Slide 9 - Quiz

Wat is het grootste verschil tussen de VOC en de WIC?
timer
1:00
A
De WIC deed aan slavenhandel de VOC in specerijen handel
B
De VOC deed aan kaapvaart
C
De WIC ging richting het Oosten en de VOC naar het westen
D
De VOC werd later opgericht dan de WIC

Slide 10 - Quiz

De VOC bracht naar Europa:
A
Slaven
B
Aardappels
C
Specerijen
D
Maïs

Slide 11 - Quiz

VOC staat voor
A
Vereniging Oost-Indische Compagnie
B
Verenigde Oost-Indie Compagnie
C
Verenigde Oost-Indische Compagnie
D
Verenigde Oost-Indische Campagne

Slide 12 - Quiz

Waarom werd de VOC opgericht?
A
Om een goede administratie bij te houden.
B
Om slaven te verhandelen.
C
Om ruzies tussen Nederlandse handelaren te voorkomen.
D
Om concurrentie met andere landen tegen te gaan.

Slide 13 - Quiz

WIC
VOC
VOC
VOC
WIC
WIC

Slide 14 - Drag question

Wat hoort bij wat? 
export uit Nederland
Europese overzeese uitbreiding
handelspost
VOC
WIC
VOC + WIC

Slide 15 - Drag question

Wat hoort bij de VOC en wat bij de WIC?
VOC
WIC

Indië

Slavenhandel


Suiker en tabak.
opgericht in 1602

Specerijen

Slide 16 - Drag question


De WIC had het monopolie op handel in:
A
Noord-en Zuid-Amerika,
B
Azië
C
West-Indië
D
Noord-Amerika

Slide 17 - Quiz

Waar had de VOC een monopolie op?
A
De handel in specerijen
B
De handel in slaven
C
De handel met Azië
D
De handel met Indonesië

Slide 18 - Quiz

Wat betekent het dat de VOC een monopolie had?
A
Zij mochten alleen handelen met Azië.
B
Zij mochten niet handelen met Azië.
C
De VOC had geen monopolie.
D
Monopolie is gewoon een spelletje.

Slide 19 - Quiz

Wat is kolonialisme?
A
Een Aziatisch land waar veel handel mee gedreven wordt
B
Als een Europees land heerst over een ander land om er rijker van te worden
C
Een Aziatisch land waar oorlog mee is
D
Een Europees land waar oorlog mee is

Slide 20 - Quiz

WIC: Driehoekshandel
Geweren, ijzer, textiel
Slaven, goud, ivoor
Suiker, koffie, tabak

Slide 21 - Drag question

WIC
VOC
Naar Oost
de zilvervloot 
naar West
doet niet mee aan driehoekshandel 

Slide 22 - Drag question

WIC
VOC
Handelsmonopolie
Het oosten
Aziatische handel
Driehoekshandel
Suriname

Slide 23 - Drag question

Tussen welke landen was de Driehoekshandel?
A
Australië, Europa en Afrika
B
Europa, Amerika en Australië.
C
Australië, Amerika en Afrika.
D
Europa, Amerika en Afrika.

Slide 24 - Quiz

1

Slide 25 - Video

Wat is een droogmakerij?
A
Bedrijf dat kleren droogt
B
Een soort droger
C
Met molens land vol laten lopen met water
D
Met molens nieuw land leegpompen

Slide 26 - Quiz