Unit 1 lesson 2

Previous lesson: California
  Homework: exercise 3 or 4 of lesson 1
exercises 1 and 2  of lesson 2

If you were a millionaire, what would your house look like? 
1 / 51
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 2

This lesson contains 51 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

Items in this lesson

Previous lesson: California
  Homework: exercise 3 or 4 of lesson 1
exercises 1 and 2  of lesson 2

If you were a millionaire, what would your house look like? 

Slide 1 - Slide

Queen Elizabeth

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Link

Today : Lesson 2 Listening 
  1. Je  kunt een gesprek  volgen en het  onderwerp van een discussie herkennen. 
  2. Je leert woordjes die te maken hebben met het uiterlijk van iemand.
  3. Herhaling van meervoudsvormen

Slide 4 - Slide


Check exercise 2  

                      Words 

Go to page 40 . Let's read together 





Slide 5 - Slide

Hoe leer je woordjes? 
  • woord voor woord,    (Ned - Eng  +  Eng - Ned)
  • vaak herhalen (maak een kaartenbakje van iedere unit) 
  •  woordjestrainer  online 
  • opschrijven in het Engels > spelling oefenen
  • Quizlet of WRTS


Slide 6 - Slide


Exercises  3 and 4:  At Venice Beach 

Luistertip: lees voordat je gaat luisteren eerst de opdracht, zodat je weet waar je op moet letten.

Probeer tijdens het luisteren niet ieder woord te begrijpen. Concentreer je op de informatie die je zoekt.



Slide 7 - Slide

Listening skills?
ūüėíūüôĀūüėźūüôāūüėÉ

Slide 8 - Poll

Plural- meervoud 

Slide 9 - Slide

Plural ( meervoud): what do you remember?

Slide 10 - Mind map

Exercise 5, page 14
Gezamelijk invullen:  opdracht 5 - blz 11 .
Snap je het ?  Ga  verder met 6  

Moeilijk? Volg de uitleg op het bord

Slide 11 - Slide

Meervoud: algemeen






 


Slide 12 - Slide

Meervoud: s-klank






 


Slide 13 - Slide

Meervoud: medeklinker+o






 


Slide 14 - Slide

Meervoud: medeklinker+y






 


Slide 15 - Slide

Meervoud: klinker+y






 


Slide 16 - Slide

Meervoud: -f / -fe






 


Slide 17 - Slide

Meervoud: Uitzonderingen 1






 


Slide 18 - Slide

Meervoud: Uitzonderingen 2






 


Slide 19 - Slide

Meervoud
NOOIT 
-'S

Slide 20 - Slide

Homework previous lesson
Unit 1, lesson 2: Exercises 1 tm 8   

Slide 21 - Slide

Previous lesson

Meervoud en uitzonderingen


Slide 22 - Slide

The police caught the ... (thief)
A
thiefs
B
thieves
C
thief's

Slide 23 - Quiz

My father always eats ... (potato)
A
potatos
B
potatoes
C
potato's

Slide 24 - Quiz

LA is one of the coolest .... (place)
A
places
B
place's
C
place

Slide 25 - Quiz

Yesterday, we visited two.... (beach)
A
beaches
B
beachs
C
beache's

Slide 26 - Quiz

Plural (meervoud) of person is:
A
persons
B
peoples
C
person's
D
people

Slide 27 - Quiz

Plural of sheep is:
A
sheeps
B
sheep
C
sheepes
D
sheep's

Slide 28 - Quiz

In summer we eat a lot of .... (cherry)
A
cherrys
B
cherries
C
cherry's

Slide 29 - Quiz

Plural of mouse is:
A
mice
B
mouses
C
mices
D
mouse

Slide 30 - Quiz

Plural of child is:
A
children
B
childs
C
child's

Slide 31 - Quiz

Plural of 'tooth' is:
A
tooths
B
toothes
C
teeth
D
theets

Slide 32 - Quiz

Meervoud
NOOIT 
-'S

Slide 33 - Slide

Lesson 2 Listening 
  1. Je  kunt een gesprek  volgen en het  onderwerp van een discussie herkennen. 
  2. Je kunt in het Engels iemand beschrijven 
  3. Persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden 

Slide 34 - Slide

Persoonlijke voornaamwoorden> onderwerpsvorm. Staat vooraan in de zin

Slide 35 - Slide

Persoonlijke voornaamwoorden 
 voorwerpsvorm: staat achteraan in de zin

Slide 36 - Slide

Bezittelijke voornaamwoorden
Je gebruikt bezittelijke voornaamwoorden om aan te geven van wie iets is. Je kunt vaak op twee manieren zeggen dat iets van jou of iemand anders is. 

Slide 37 - Slide

Bezittelijke voornaamwoorden
My                ik                         This is my bike                    -  This bike is mine
Your             jouw/uw           This is your bike                 -  This bike is yours
His               zijn                      This is his bike                    - This  bike is his
Hers            haar                     It is her bike                         -  This bike is hers
Its                 zijn/haar            Its name is  elephant.
Ours            ons/onze           This is our book                 -  This book is ours
Your             jullie, uw            This is your book               -  This book is yours
Their           hun                       This is their book              -  This book is theirs

Slide 38 - Slide

Verschil

De eerste vorm : voor een zelfstandig naamwoord

Is this my book?  

'my ' zegt iets over het zelfstandig naamwoord 'book'.

Slide 39 - Slide

Verschil

In de tweede vorm  wordt 'my book' vervangen door mine > staat achteraan in de zin

Is this my book?

This book is mine

'

Slide 40 - Slide

Bezittelijke voornaamwoorden

Slide 41 - Slide

This book is__________
A
Of hers
B
hers
C
she
D
her

Slide 42 - Quiz

This isn't _______
A
Of mine
B
My
C
I
D
mine

Slide 43 - Quiz

Is that ______car over there?
A
Of yours
B
Yours
C
you
D
your

Slide 44 - Quiz

The new car over there is ___, isn't it?
A
Yours
B
Your
C
Of yours
D
you

Slide 45 - Quiz

Do you need more explanation? 
No problem. Go to the last slide and watch the videos.

Do you understand so far?
Skip the video and start practising!


Slide 46 - Slide

Work  online !
Unit 1, lesson 2
10 + 11 : Lees het grammaticablokje en maak de opdrachten
12: Luisteren: vul de ontbrekende info aan ( in NL)
13  of  14 Kies tussen 13 ( makkelijker) en 14 (moeilijker)


Slide 47 - Slide

Homework
U1,  lesson 2
exercises 10 to 13 (or 14)
Test yourself lesson 2

 Lesson 3: 
exercises 1 and 2


Slide 48 - Slide

Slide 49 - Video

Slide 50 - Video

Slide 51 - Video