Le pronom personnel

LE PRONOM PERSONNEL
1 / 34
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

LE PRONOM PERSONNEL

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Vandaag ga ik jullie uitleg geven over:

* Le pronom personnel OBJET DIRECT (lijdend vw)
* Le pronom personnel OBJET INDIRECT (meew. vw)


Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Les objectifs d'aujourd'hui
Aan het einde van de les kan ik:
- Het lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp herkennen in een zin
- Het lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp vervangen door een persoonlijk voornaamwoord
- Het lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp toepassen in een zin

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Hoe vind je het meewerkend voorwerp in een zin?

Slide 4 - Mind map

This item has no instructions

Hoe vind je het lijdend voorwerp in een zin?

Slide 5 - Mind map

This item has no instructions

Persoonlijk voornaamwoord
Wat is een persoonlijk voornaamwoord?
Wat is een lijdend- en meewerkendvoorwerp?
Wat wordt er bedoeld met het ''vervangen'' van een persoonlijk voornaamwoord
 

Slide 6 - Slide

Het persoonlijk voornaamwoord verwijst naar een persoon, een groep personen, voorwerpen of onzichtbare zaken. Het is een voornaamwoord dat in de plaats van een zelfstandig naamwoord kan staan.

Het lijdend voorwerp hangt samen met het onderwerp en het gezegde in de zin. Je vindt deze door de vraag te stellen:

 wie/wat + gezegde (alle werkwoorden) + onderwerp.
Bijvoorbeeld: ik lees een boek. Wie of wat lees ik? --> een boek. Een boek is het lijdend voorwerp.


Stel iemand vraagt aan jou: ‘’Ga jij brood kopen?’’. Dan zeg jij: ‘’Ja, ik ga het kopen’’. Of stel dat iemand zegt: ‘’Ken jij de zangeres?’’. Dan kan jij zeggen: ‘’ Ja, ik ken haar’’. In beide zinnen wordt het lijdend voorwerp vervangen door ‘’het of haar’’. Dit doe je om herhaling te voorkomen. Anders wordt het zo een saai gesprekje.

COD (lijdend voorwerp)

Frans: Complément d'OBJET DIRECT (COD)
Exemple: J'écris une lettre 
"une lettre" = C.O.D volgt DIRECT de persoonsvorm 

Ik zie hem                 Hij koopt de oliebollen

Een COD kan zowel een persoon als een ding/voorwerp vervangen, zoals je in de zinnen hierboven ziet.

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

COI (meewerkend voorwerp)

 Frans: Complément d'OBJET INDIRECT (COI)
Exemple: J'écris une lettre à mon père:

"à mon père" = C.O.I volgt INDIRECT de persoonsvorm --> herken je met ''à''
Ik geef hem een cadeau         Hij vraagt een game aan Sinterklaas

Een COI vervangt altijd een persoon

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Vervangen van een pers. vnw.
We kunnen een COD of COI in de zin vervangen door een persoonlijk voornaamwoord.

 Exemple:
Ik schrijf een brief aan mijn vader.
COD vervangen: Ik schrijf het aan mijn vader
COI vervangen: ik schrijf hem een brief
Beiden vervangen: Ik schrijf hem het


Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Pers. vnw: COD (lijdend voorwerp)
Je hebt de keuze uit de volgende woorden:
me               Il me voit                                 Hij ziet me
te                  Il te voit                                   Hij ziet jou
le / la / l'     Il le/la voit / Il l'achète       Hij ziet hem/haar/Hij koopt het
nous           Il nous voit                              Hij ziet ons
vous            Il vous voit                              Hij ziet jullie/u
les                Il les voit / Il les achète     Hij ziet hen / Hij koopt ze


Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Pers. vnw: COI (meewerkend voorwerp)
Je hebt de keuze uit de volgende woorden:
me               Il me donne un cadeau            Hij geeft me een cadeau
te                  Il te donne un cadeau              Hij geeft jou een cadeau
le / la / l'     Il lui donne un cadeau              Hij geeft hem/haar een cadeau
nous           Il nous donne un cadeau         Hij geeft ons een cadeau
vous            Il vous donne un cadeau         Hij geeft jullie/u een cadeau
les                Il leur donne un cadeau           Hij geeft hen een cadeau
Werkwoorden die een COI krijgen, herken je in het NL aan "aan" (geven aan) en in het FR aan "à"/au/aux (donner à, demander à)

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Tu vois tes amis?
vervang 'tes amis'
A
Tu le vois?
B
Tu la vois?
C
Tu les vois?
D
Tu l'a vois?

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

On vend la maison.
vervang 'la maison'
A
On la vend.
B
On le vend.
C
On les vend.
D
On vend la.

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

Elle étudie la carte routière.
vervang 'la carte routière'
A
Elle la étudie.
B
Elle l'étudie.
C
Elle le étudie.
D
Elle étudie le.

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Je mange le chocolat.
A
Je l'mange.
B
Je la mange.
C
Le je mange.
D
Je le mange.

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Vervang het mwv door een pronom personnel: Robert va donner les livres à ses amis
A
Robert va leur donner les livres
B
Robert leur va donner à ses amis
C
Robert va donner leur les livres

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Vervang het lijdend voorwerp in deze zin door un pronom personnel:
je donne le livre à mon frère.
A
Je donne le à mon frère
B
Je la donne à mon frère
C
Je lui donne à mon frère
D
Je le donne à mon frère

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

Vervang het meew.voorwerp door een pronom personnel: je donne le livre à mon frère.
A
je donne le livre à lui
B
je lui donne le livre
C
je la donne le livre
D
je le donne le livre

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Vervang het lv door een pronom personnel: Robert donne la fleur à Sophie
A
Robert la donne à Sophie
B
Robert le donne à Sophie
C
Robert donne la fleur à elle
D
Robert lui donne la fleur

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Vervang het mwv door een pronom personnel: Robert donne la fleur à Sophie
A
Robert la donne à elle
B
Robert la donne la fleur
C
Robert lui donne la fleur

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Vervang het lv door een pronom personnel: Robert donne les livres à ses amis
A
Robert le donne à ses amis
B
Robert donne les livres à eux
C
Robert les donne à ses amis

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Vervang het mwv door een pronom personnel: Robert donne les livres à ses amis
A
Robert donne les livres à eux
B
Robert leur donne les livres
C
Robert les donne les livres

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Vervang het lv door een pronom personnel: Robert a donné les livres à ses amis
A
Robert a les donné à ses amis
B
Robert a donné les à ses amis
C
Robert les a donné à ses amis

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

De plaats van het pronom
 PRONOM OBJET DIRECT / INDIRECT:
Vóór de persoonsvorm (je le mange / je lui écrit un mail)
Uitzondering:
Een heel werkwoord: vóór het hele werkwoord.
Exemple: Je vais donner une fleur à ma mère 
LV vervangen: Je vais la donner à ma mère        
MWV vervangen: Je vais lui donner une fleur 
Beiden vervangen: Je vais lui la donner

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Nous donnons ce souvenir à Bart.
vervang 'à Bart'
A
Nous le donnons ce souvenir.
B
Nous donnons ce souvenir à le.
C
Nous la donnons ce souvenir.
D
Nous lui donnons ce souvenir.

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

Il demande la réponse à Ellen.
vervang 'à Ellen'
A
Il lui demande la réponse.
B
Il le demande la réponse.
C
Il la demande la réponse.
D
Il demande lui la réponse

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

Il donne un cadeau à nous
vervang 'un cadeau' & 'à Nous'

Slide 28 - Open question

This item has no instructions

Il pose une question à moi
vervang 'une question' & 'à moi'

Slide 29 - Open question

This item has no instructions

Il écrit une lettre à Marie.
vervang 'une lettre' & 'à Marie'

Slide 30 - Open question

This item has no instructions

Il va poser une question à ses amis.
vervang 'une question' & 'à ses amis'

Slide 31 - Open question

This item has no instructions

Heb jij de doelen behaald?
Aan het einde van de les kan ik:
- Het lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp herkennen in een zin
- Het lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp vervangen door een persoonlijk voornaamwoord
- Het lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp toepassen in een zin

Slide 32 - Mind map

This item has no instructions

Heb je nog vragen?
A
Ja
B
Nee

Slide 33 - Quiz

This item has no instructions

Les devoirs
Maken opdr. 37 + 38

Slide 34 - Slide

This item has no instructions