4H 11.3 eiwitten + 11.4 enzymen

Binnen = beginnen
Open je laptop 
Ga naar 10voorbiologie.nl
Ga naar lessonup.nl
1 / 44
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 44 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Binnen = beginnen
Open je laptop 
Ga naar 10voorbiologie.nl
Ga naar lessonup.nl

Slide 1 - Slide

11.3 leerdoelen
  • je kunt uitleggen hoe peptiden en eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren
  • je kunt uitleggen wat polymeren zijn en voorbeelden noemen
  • je kunt uitleggen wat het verschil is tussen hydrofoob en hydrofiel

Slide 2 - Slide

wist-je-dat over eiwitten

Slide 3 - Mind map

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

1.1.1 energie in organismen

Slide 6 - Slide

de peptidebinding

Slide 7 - Slide

Aminozuren en eiwitten
Aminozuren zijn de bouwstenen van eiwitten

20 verschillende soorten aminozuren

Meer dan 100 aminozuren achter elkaar = eiwit


Slide 8 - Slide

hydrofoob en hydrofiel
De restgroepen van een aminozuur zijn verschillend.

Sommige restgroepen zijn hydrofiel (=waterminnend), die zijn goed oplosbaar in water.
Andere restgroepen zijn juist hydrofoob (=watervrezend), die stoten water af en kunnen goed met vetachtige stoffen.

Slide 9 - Slide

Wanneer spreken we over peptiden, en wanneer over eiwitten?

Slide 10 - Open question

polymeren
lange ketens bestaande uit min of meer dezelfde moleculen:

een eiwit bestaat uit een lange keten aminozuren

polyester - kunstmatige molymeer bestaande uit lange keten ester-verbindingen

Slide 11 - Slide

aan de slag
 bekijk de volgende link over eiwitten
maak een samenvatting van 11.3
maak de toetsvragen van 11.3

Slide 12 - Slide

Binnen = beginnen
Open je laptop 
Ga naar 10voorbiologie.nl
Ga naar lessonup.nl

Slide 13 - Slide

11.4 leerdoelen
  • je kunt uitleggen wat enzymen zijn, wat ze doen en hoe ze beinvloedt worden

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Video

  • soort eiwitten
  • reactieversnellers van stofwisselingsreacties
  • gereedschappen van de cel
  • reactiespecifiek
  • herbruikbaar
  • substraatspecifiek
  • substraat = stof die wordt bewerkt
  • voorbeeld


Slide 16 - Slide

Enzym-substraat complex
reactieversnellers van stofwisselingsreacties
gereedschappen van de cel
bij lichaamstemperatuur is het te koud om in een cel normaal gesproken reacties te laten plaatsvinden
reactiespecifiek
herbruikbaar
substraatspecifiek
substraat = stof die wordt bewerkt


Slide 17 - Slide

Enzym-substraat complex
  • Het substraat eindigt altijd op -ose
  • Het enzym eindigt altijd op -ase


  • Voorbeelden
  • Cellulose – cellulase
  • Maltose – maltase
  • Amylose (zetmeel) - amylase

Slide 18 - Slide

Twee soorten reacties
Opbouwende (assimilatie)




Afbrekende (dissimilatie)

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Het denatureren van een ei

Slide 21 - Slide

Wat gebeurt er dus met koorts?

Slide 22 - Slide

gevoelig voor zuurtegraad
reactieversnellers van stofwisselingsreacties
gereedschappen van de cel
bij lichaamstemperatuur is het te koud om in een cel normaal gesproken reacties te laten plaatsvinden
reactiespecifiek
herbruikbaar
substraatspecifiek
substraat = stof die wordt bewerkt


Slide 23 - Slide

Nu zelfstandig de lessonup afmaken
- Ga naar onze klaspagina en open deze lessonup
- Lees hem nogmaals zelfstandig door en maak de vragen
- Ga daarna bezig met de huiswerkopgaven + kijk deze na


- huiswerkopgaven = basiskennisvragen 11.4 +
samenvatting 11.4 + thema 11 opdracht 3 organisch of anorganisch

Slide 24 - Slide

Een enzym past precies op de om te zetten stof. Dat betekent dat het enzym ...
A
reactiespecifiek is
B
substraatspecifiek is

Slide 25 - Quiz

Een enzym katalyseert maar één soort reactie. Dat heet:
A
reactiespecifiek
B
substraatspecifiek

Slide 26 - Quiz

Een enzym katalyseert een reactie. Dat betekent:
A
Het enzym versnelt een reactie en blijft zelf intact.
B
Het enzym versnelt een reactie en wordt daarbij opgebruikt.
C
Het enzym past op een bepaalde stof.

Slide 27 - Quiz

Als een enzym gedenatureerd is, betekent dat dat het enzym ...
A
opgebruikt is
B
uit elkaar is gevallen
C
dood is
D
van vorm is veranderd

Slide 28 - Quiz

Sleep de enzymen naar het substraat
DNA

maltose 
lipiden

RNA

peptiden
zetmeel 
(amylum)

lipase

amylase

DN-ase

RN-ase

pepsine

maltase

Slide 29 - Drag question

De ruimtelijke structuur van een enzym bepaalt de werking.
Hoe heet het van vorm veranderen van een enzym waardoor het niet meer werkt?

Slide 30 - Open question

Welke bewering klopt?
A
P is de minimumtemperatuur voor dit enzym.
B
Q is de optimumtemperatuur voor dit enzym.
C
R is de maximumtemperatuur voor dit enzym.

Slide 31 - Quiz

Welke bewering klopt? De stijging van de activiteit tussen P en Q komt doordat ...
A
er meer enzymen bijkomen.
B
er per enzymmolecuul meer stof wordt omgezet.
C
er meer substraat bijkomt.

Slide 32 - Quiz

Welke bewering klopt over de enzymactiviteit en de enzymconcentratie bij temperaturen P, Q en R?
A
Bij alle drie de temperaturen is de enzymconcentratie gelijk.
B
Tussen P en Q neemt de activiteit toe, omdat de concentratie van het enzym toeneemt.
C
Tussen Q en R neemt de activiteit af, omdat de concentratie van het enzym afneemt.

Slide 33 - Quiz


Hoe wordt de vorm van de grafiek genoemd?
A
een exponentiële kromme
B
een lineair verband
C
een optimumkromme

Slide 34 - Quiz


Bij A en B wordt evenveel enzymactiviteit gemeten (dus substraat omgezet). Dat betekent ...
A
dat er bij A meer enzymmoleculen actief zijn dan bij B.
B
dat er bij A en B evenveel enzymmoleculen actief zijn.
C
dat er bij A minder enzymmoleculen actief zijn dan bij B.

Slide 35 - Quiz


Wat is er gebeurd daar waar de kromme tussen 4 en 5 de horizontale as raakt?
A
De enzymmoleculen zijn niet actief, maar kunnen dat wel weer worden bij een lagere pH.
B
De enzymmoleculen zijn niet actief, want ze zijn gedenatureerd.
C
De enzymmoleculen zijn opgebruikt.

Slide 36 - Quiz

Een eiwitoplossing wordt geleidelijk verwarmd van 0 graden naar 70ºC. In de oplossing bevindt zich pepsine, dat de eiwitten in de oplossing afbreekt tot polypeptiden. Welke lijn geeft het polypeptidegehalte goed weer?
A
lijn 1
B
lijn 2
C
lijn 3
D
lijn 4

Slide 37 - Quiz

Een enzym katalyseert de reactie A + B ⇒ C. Men meet de concentratie C in de loop van de tijd. Wat kun je uit de grafiek concluderen?
A
Hoe meer C, des te trager de reactie, dus C versnelt de reactie.
B
De hoeveelheid C heeft een positieve invloed op de reactiesnelheid.
C
Hoe meer C, des te trager de reactie, dus C vertraagt de reactie.

Slide 38 - Quiz

reactieversnellers van stofwisselingsreacties
gereedschappen van de cel
bij lichaamstemperatuur is het te koud om in een cel normaal gesproken reacties te laten plaatsvinden
reactiespecifiek
herbruikbaar
substraatspecifiek
substraat = stof die wordt bewerkt


Slide 39 - Slide

Slide 40 - Video

aan de slag
  1. Maak een samenvatting van 11.4
  2. Maak alle basiskennisvragen van 11.4
  3. Maak van thema 11 opdracht 3 organisch of anorganisch

Slide 41 - Slide

Slide 42 - Video

In welke binas tabellen kun je meer informatie vinden over enzymen?

Slide 43 - Open question

Vragen 11.4 of opgaven die je wilt bespreken?

Slide 44 - Mind map