Herhalingsles periode 2.2

Herhalingsles periode 2.2
Herhalingsles periode 2.2
1 / 22
next
Slide 1: Slide
BiologieMBOStudiejaar 2

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Herhalingsles periode 2.2
Herhalingsles periode 2.2

Slide 1 - Slide

Condensatie
Hydrolyse
Monomeer
Polymeer

Slide 2 - Drag question

Welke stof kom vrij tijdens de polymerisatie van biomoleculen
A
zuren
B
water
C
alkanen
D
eiwitten

Slide 3 - Quiz

Eiwitten zijn...
A
Organisch
B
Anorganisch

Slide 4 - Quiz

Eiwitten zijn....
A
brandstoffen
B
bouwstoffen

Slide 5 - Quiz

Combineer de functies met de eiwitten
transport
beweging
hormoon
afweer
hemoglobine
Insuline
spier-eiwit
antilichamen

Slide 6 - Drag question

De bouwstenen van eiwitten zijn...
A
nucleotiden
B
stikstofbasen
C
aminozuren
D
ribosomen

Slide 7 - Quiz

Welke aminozuren kun je niet zelf maken uit andere aminozuren
A
Essentiële aminozuren
B
niet- essentiële aminozuren

Slide 8 - Quiz

Wat is NIET WAAR over eiwitten?
A
Alle enzymen zijn eiwitten
B
Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren
C
Qua naamgeving eindigen alle eiwitten op - ase
D
Proteïne is een ander woord voor eiwit

Slide 9 - Quiz

Waardoor wordt de ruimtelijke structuur van een eiwit in stand gehouden?
A
door hydrolyse en condensatie reacties
B
door H- en S- bruggen
C
alfa helix en beta sheets
D
peptide bindingen

Slide 10 - Quiz

Hoe heet het proces waarbij de ruimtelijke structuur van een eiwit verloren gaat?

Slide 11 - Open question

Enzymen

Slide 12 - Slide

Wat is de functie van een katalysator?
A
Verhoogd de activeringsenergie
B
Verlaagd de activeringsenergie

Slide 13 - Quiz

Hieronder is het energiediagram voor de verbranding van methaan weergegeven. Sleep de namen naar de juiste plek.
methaan
water
koolstofdioxide
zuurstof
reactiewarmte
activeringsenergie

Slide 14 - Drag question

1: Uit welke type biomoleculen zijn enzymen opgebouwd?
2: Hoe noemen we de stof die door een enzym wordt omgezet?
A
1:eiwitten 2:hulpstof
B
1:proteïnen 2:hulpstof
C
1:koolhydraten 2:substraat
D
1:eiwitten 2:substraat

Slide 15 - Quiz

Een substraat kan je blijven gebruiken
A
waar
B
niet waar

Slide 16 - Quiz

Hoe kun je een enzymreactie sneller laten verlopen?
A
De temperatuur flink verhogen
B
Meer substraat toevoegen
C
Meer enzymen toevoegen
D
De pH sterk verlagen

Slide 17 - Quiz

Wat treedt hier op bij een overmaat substraat?

Slide 18 - Open question

Wat is waar over enzymen?
A
Enzymen zijn niet afhankelijk van de zuurgraad
B
Enzymen zijn afhankelijk van de temperatuur
C
Enzymen zijn niet specifiek
D
Enzymen moet je eten

Slide 19 - Quiz

Sleep de enzymen naar het substraat
DNA

maltose 
lipiden

RNA

peptiden
zetmeel 
(amylum)

lipase

amylase

DN-ase

RN-ase

pepsine

maltase

Slide 20 - Drag question

Wat is een inhibitor?
A
een activeringsstof
B
een remstof
C
een optimum
D
een minimum

Slide 21 - Quiz

1-Wat is de invloed van zware metalen op enzymen?

2- Is deze invloed reversibel of irreversibel?
A
herstelen ruimtelijke structuur en irreversibel
B
beschadigen ruimtelijke structuur en irreversibel
C
beschadigen ruimtelijke structuur en reversibel
D
herstellen ruimtelijke structuur en reversibel

Slide 22 - Quiz