M&O Week 9 (Les. 1): Herhalings les

1 / 56
next
Slide 1: Slide
Zorg en WelzijnMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 3,4

This lesson contains 56 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 140 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Startklaar
  • Welkom Klas! 
  • Ga allemaal op je plek zitten. 
timer
3:00

Slide 2 - Slide

1. Startklaar
Bij de start van iedere les verwelkomt de docent de leerlingen bij de ingang van de deur, noemt leerlingen bij naam, maakt oogcontact en besteedt aandacht aan hun welbevinden. De docent geeft het goede voorbeeld en spreekt hoge verwachtingen uit voor het verloop van de les door succescriteria op gewenst gedrag, schooltaal en effectief leren te benoemen. De leerlingen zijn startklaar: ingelogd in LessonUp, telefoons opgeborgen in het Zakkie, en JdW-map op tafel.
JdW-kijkwijzer
Lesopbouw:

  1. Vooraf:
    Startklaar, Voorkennis activeren, Formatief Handelen

  2. Instructie:
    Leerdoelgericht werken, Inclusieve didactiek, Concrete en herkenbare voorbeelden, Formatief Handelen

  3. Toepassing:
    Actieve verwerking, Formatief handelen 

  4. Evaluatie:
    Afsluiting

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Onderwerpen: Baliewerkzaamheden, schoonmaak en textiel

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

           Leerdoelen

  • Tijdens deze les herhalen we alle leerstof over Mens en Omgeving, zodat ik de begrippen begrijp, voorbeelden kan geven en verbanden kan uitleggen.

Slide 6 - Slide

3. Leerdoelgericht werken
De docent geeft het onderwerp, RTTI geformuleerde leerdoelen en de lesopbouw aan. De docent weet de leerdoelen goed te laten aansluiten bij de voorkennis en het (taal)niveau van de leerlingen. Gedurende de les wordt continu een terugkoppeling naar de leerdoelen gemaakt om de mate van beheersing te controleren.   
Belangrijke competenties binnen Z&W zijn
Competenties zijn vaardigheden, kennis en persoonlijke eigenschappen.
Empathisch zijn betekent dat je je kunt inleven in een ander. Je begrijpt hoe een ander zich in een bepaalde situatie kan voelen.

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Baliewerkzaamheden 
⭐ Belangrijke punten (waar je op moet letten)
  • Representatief zijn: Dat je netjes, vriendelijk bent en er verzorgd uitziet.
  • Gastvrijheid tonen
  • Communicatief sterk
  • Professioneel blijven
  • Privacy waarborgen
  • Nauwkeurig werken
  • Overzicht houden

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Je werkt als baliemedewerker in een ziekenhuis. Een oude vrouw meldt zich. Wat is de beste manier om de vrouw aan te spreken?
A
Hoi mevrouw, wat kan ik voor je doen?
B
Hoi mevrouw, wat kan ik voor u doen?
C
Goedemorgen mevrouw, wat kan ik voor je doen?
D
Goedemorgen mevrouw, wat kan ik voor u doen?

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

Waarvoor gebruik je een telefoonmemo?
A
Om een totaaloverzicht van alle telefoongesprekken te maken.
B
Om alle telefoonnummers in te noteren.
C
Om aan het personeel de regels voor telefoneren duidelijk te maken.
D
Om de belangrijkste gegevens van een telefoongesprek te noteren.

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Welke stelling over actief luisteren is NIET juist?
A
Je let op non-verbale signalen.
B
Je maakt oogcontact.
C
Je laat je makkelijk afleiden door je omgeving.
D
Je laat de ander uitpraten.

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Representatief 

Als baliemedewerker moet je representatief zijn.
Representatief is een verzorgd uiterlijk, schone en nette kleding, vriendelijk en netjes in gedrag en het juist taalgebruik.


Kleding
<br><div>Zorg voor schone kleding.
</div><div>Zorg dat je geen gekreukte kleding draagt.
</div><div>Zorg dat je kleding heel en niet versleten is.
</div><div>Poets je schoenen.
</div><div>Zorg dat de kleding past, geen te korte broek dus.
</div><div>Kies kleding die past bij je figuur.
</div><div><br></div>
Redenen bedrijfskleding
<div>• Personeel is herkenbaar.
</div><div>• Personeel ziet eruit zoals het bedrijf dit wenst.
</div><div>• Het kan de veiligheid vergroten.
</div><div>• Het zorgt voor hygiëne.
</div><div><br></div>

Slide 12 - Slide

1. Startklaar
Bij de start van iedere les verwelkomt de docent de leerlingen bij de ingang van de deur, noemt leerlingen bij naam, maakt oogcontact en besteedt aandacht aan hun welbevinden. De docent geeft het goede voorbeeld en spreekt hoge verwachtingen uit voor het verloop van de les door succescriteria op gewenst gedrag, schooltaal en effectief leren te benoemen. De leerlingen zijn startklaar: ingelogd in LessonUp, telefoons opgeborgen in het Zakkie, en JdW-map op tafel.
LSD 
Luisteren
Basisvaardigheden van actief luisteren zijn:


Een goede luistermethode is LSD: luisteren, samenvatten en doorvragen.

Basisvaardigheden luisteren
<br><div>Basisvaardigheden van actief luisteren zijn:
</div><div>Kijk de bezoeker aan.
</div><div>Stel vragen om de bezoeker beter te begrijpen.
</div><div>Geef een korte samenvatting van het verhaal dat je gehoord hebt om te controleren of je het goed hebt begrepen.
</div><div>Laat de bezoeker uitpraten.
</div><div><br></div><div><br></div>

Slide 13 - Slide

1. Startklaar
Bij de start van iedere les verwelkomt de docent de leerlingen bij de ingang van de deur, noemt leerlingen bij naam, maakt oogcontact en besteedt aandacht aan hun welbevinden. De docent geeft het goede voorbeeld en spreekt hoge verwachtingen uit voor het verloop van de les door succescriteria op gewenst gedrag, schooltaal en effectief leren te benoemen. De leerlingen zijn startklaar: ingelogd in LessonUp, telefoons opgeborgen in het Zakkie, en JdW-map op tafel.
Hoe laat je zien dat je actief luistert?
A
Door de ander aan te kijken
B
Door je eigen verhaal te vertellen
C
Door op je telefoon te kijken
D
Door de ander te onderbreken

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

Formeel gesprek
  • Zakelijk gesprek
  • Net taalgebruik
  • Serieus van aard 

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Informeel gesprek
  • Vriendschappelijk gesprek
  • Los taalgebruik
  • Gezellig onder ons 

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Non-verbale communicatie
Non-verbale communicatie is communiceren zonder taal te gebruiken. Je communiceert b.v. met je houding, kleding of met oogcontact. 
  • Houding
  • Bewegingen

  • Gezichtsuitdrukkingen

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Horen de zinnen bij verbale of bij non-verbale communicatie?
Mevrouw vraagt steeds: "Waar ben ik?''.&nbsp;
Meneer staart de hele middag uit het raam.&nbsp;
Meneer heeft zijn vrouw gesproken aan de telefoon.
Meneer loopt voordurend rond alsof hij iets zoekt.
Mevrouw maakt oogcontact als je haar aanraakt.
verbaal 
non-verbaal
verbaal 
non-verbaal
verbaal 
non-verbaal
verbaal 
non-verbaal
verbaal 
non-verbaal

Slide 18 - Drag question

This item has no instructions

Schoonmaakmiddelen
Let bij het gebruik van schoonmaakmiddelen op:
  • Lees het etiket.
  • Volg de gebruiksaanwijzing en de voorzorgsmaatregelen.
  • Doe altijd de dop op de fles. Ook tijdens het schoonmaakwerk.
  • Plaats en bewaar schoonmaakmiddelen buiten het bereik van kinderen.
  • Zorg voor een juiste dosering. Gebruik niet te veel.

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Wat is het verschil tussen professioneel schoonmaken en thuis schoonmaken?

Slide 20 - Open question

This item has no instructions

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

 Etiketten
Voordat je schoonmaakmiddelen gaat gebruiken is het belangrijk dat je altijd eerst het etiket leest.

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Schoonmaakmethoden en - materialen
Schoonmaakmethoden kunnen worden onderverdeeld in droog schoonmaken, klam vochtig schoonmaken en desinfecteren.

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Wat hoort bij wat?
<span style="font-weight: bold">Slaapkamer stofzuigen</span>
<span style="font-weight: bold">Schoonmaken met een doek waarin schoonmaak-<br>middel is verwerkt</span>
<span style="font-weight: bold">Ramen wassen</span>
<span style="font-weight: bold">Oppervlak reinigen met alcohol</span>
Nat schoonmaken
Droog schoonmaken
Desinfecteren
Klamvochtig schoonmaken

Slide 24 - Drag question

This item has no instructions

Wat voor soort vuil is het haar van de hond?
A
Droog vuil
B
Onzichtbaar vuil
C
Aangekleefd vuil

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Regels

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

 Schoonmaakplan

Als je een goed plan maakt ga je vanzelf efficiënt werken.
Wanneer je bij een cliënt gaat schoonmaken, dan bespreek je met de cliënt de volgorde en wensen.                                                                                                           Begrippen (neem over) 

  • Voor wie je gaat schoonmaken.
  • Wat je gaat schoonmaken.
  • Wanneer je gaat schoonmaken.
  • Hoe je gaat schoonmaken.
  • Wie er gaat schoonmaken.
  • Waar je gaat schoonmaken.







Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Wat staat er in een schoonmaakplan?

Slide 28 - Mind map

Wat je moet schoonmaken;
Wanneer/hoe vaak je moet schoonmaken (frequentie);
Hoe je moet schoonmaken;
Wie er moet schoonmaken
Welke soorten vuil zijn er?

Slide 29 - Open question

Droog vuil: bijvoorbeeld zand of hondenharen (vegen, stofzuigen, stofwissen, afstoffen).
Aangekleefd vuil: bijvoorbeeld modder, limonade- of koffievlekken (klamvochtig schoonmaken, moppen, ramen schoonmaken).
Onzichtbaar vuil: bijvoorbeeld bacteriën op de toiletbril, op het toetsenbord, in de douche en in de keuken (desinfecteren).

Natuurazijn
Soda
Ossengal
Groene zeep

Slide 30 - Drag question

This item has no instructions

Werkvolgorde
Vaste werkvolgorde:

Werk van schoon naar vuil.
Werk van hoog naar laag.
Werk van droog naar nat.


  • Stoffen: Droog vuil van kasten of tafels verwijderen.
  • Stofzuigen: Droog vuil van de grond verwijderen.
  • Dweilen: Aangekleefd vuil van de vloer verwijderen.
  • Ramen zemen.


Werkvolgorde:
Werk van schoon naar vuil.
Werk van hoog naar laag.
Werk van droog naar nat.

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

Welke werkvolgorde is juist?
A
Werk van onder naar boven
B
Werk van droog naar nat
C
Werk van vuil naar schoon

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions

Werk dat elke dag gedaan wordt.
Werk dat 1x per week gedaan wordt.
Werk dat 1x per ongeveer 6 weken gedaan wordt.
Periodieke werkzaamheden
Wekelijkse werkzaamheden
Dagelijkse werkzaamheden

Slide 33 - Drag question

This item has no instructions

Milieubewust wassen
De belangrijkste tip voor de meeste milieuwinstwinst is wassen op een zo laag mogelijke temperatuur.

Slide 34 - Slide

This item has no instructions

Een wasmachine heeft de volgende wasprogramma’s:  
Voorwas 
  •  De voorwas wordt vooral gebruik bij ernstig vervuilde was.  
Hoofdwas 
  • Dit is het belangrijkste wasprogramma. De watertemperatuur voor de hoofdwas hangt af van de mate van vervuiling van de te wassen artikelen.  
Spoelen 
  • Een wasprogramma heeft meestal een aantal spoelgangen. Op deze manier worden alle zeepresten en het vuil weggespoeld.   
Centrifugeren 
  • De was wordt droog gemaakt. Hierbij wordt zoveel mogelijk vocht uit het wasgoed verwijderd. 

Andere bijzonderheden binnen de wasprogramma’s:  Wolwasprogramma speciaal voor wol en fijn textiel.  
                                                                                                                Kreukherstellend voor textiel dat niet te veel mag kreuken.  
                                                                                                                Speciale programma’s op moderne wasmachines zoals sportkleding

Wasgoed dat te lang in de machine blijft liggen, gaat stinken en kan zelfs gaan schimmelen.






Slide 35 - Slide

This item has no instructions

Wat moet je altijd controleren als je de droger gebruikt?
A
Of de deur goed dicht is
B
Of het filter schoon is
C
Of hij op 0 staat
D
Of de was goed droog is

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions


Waarom wordt ziekenhuis was heet gewassen?
A
Bacteriën gaan dan dood
B
De was kreukt minder
C
De was wordt zachter
D
Vlekken gaan er beter uit

Slide 37 - Quiz

This item has no instructions

Ergonomie
Tijdens het wassen en strijken is het belangrijk om ergonomisch te werken. 
Je probeert zo gezond, efficiënt en comfortabel mogelijk te werken.

  • Zet de wasmand op een fijne werkhoogte.
  • Zet de wasmand vlakbij de machine en ga op de knieën zitten.
  • Stel de strijkplank op de juiste hoogte in.
  • Berg het textiel niet te hoog op.


Slide 38 - Slide

This item has no instructions

Wat valt onder ergonomisch werken?
A
Je houdt rekening met de wensen en behoeften van gasten en zorgvragers
B
Je praat niet over gevoelige informatie van bezoekers
C
Je wast je handen na ieder toiletbezoek
D
Je wisselt taken en werkhoudingen met elkaar af

Slide 39 - Quiz

This item has no instructions

Slide 40 - Slide

This item has no instructions

Wat wordt bedoeld met textiel?

A
Alles wat met schoonmaken te maken heeft.
B
Geweven stoffen zoals handdoeken en lakens.

Slide 41 - Quiz

This item has no instructions

Materialen
Natuurlijke grondstoffen zijn grondstoffen die in de natuur worden aangetroffen, zoals wol of katoen. Natuurlijke grondstoffen kunnen in twee groepen worden verdeeld:  
• Plantaardig 
• Dierlijk 

Kunstmatige grondstoffen worden in de fabriek gemaakt. Een ander woord voor kunstmatig is synthetisch.
• Half synthetisch 
• Synthetisch 

 



Slide 42 - Slide

This item has no instructions

Vezels
Natuurlijke vezels zoals wol en katoen zijn bijvoorbeeld bekend om hun isolerende eigenschappen, die warmte vasthouden en ademen in koudere omstandigheden.



Synthetische vezels zoals polyester en nylon, worden gebruikt voor kleding die waterafstotend en sneldrogend is.

Slide 43 - Slide

This item has no instructions

Grondstoffen

Slide 44 - Slide

This item has no instructions

Wat staat er op het samenstellingsetiket?
A
Hoe je de was moet wassen
B
Waar het textiel van is gemaakt
C
De wasvoorschriften
D
Wassymbolen

Slide 45 - Quiz

This item has no instructions

Wat staat er op een behandelingsetiket?
A
Van welk materiaal het textiel gemaakt is
B
Hoe belangrijk het is om deze textiel te wassen
C
Hoe je de textiel moet behandelen
D
Hoe het textiel is samengesteld

Slide 46 - Quiz

This item has no instructions

Etiketten

Slide 47 - Slide

This item has no instructions

Symbolen

Slide 48 - Slide

This item has no instructions

Wat betekent dit wassymbool:
A
wassen op 30 graden
B
wassen op 40 graden
C
handwassen
D
niet wassen

Slide 49 - Quiz

This item has no instructions

Wat betekent dit wassymbool:
A
Niet drogen in de wasdroger
B
Drogen in de wasdroger
C
Niet wassen in de wasmachine
D
Wassen in de wasmachine

Slide 50 - Quiz

This item has no instructions

Wat betekenen de wassymbolen?
Bleken
Chemisch reinigen
Strijken
Droger
Wassen

Slide 51 - Drag question

This item has no instructions

Wat probeert de overheid met de Arbowet te voorkomen?
A
Schade aan de gezondheid
B
Schade aan het bedrijf
C
Schade aan de werkgelegenheid
D
Schade aan de werkomstandigheden

Slide 52 - Quiz

This item has no instructions

Opdracht 
  1. Maak een samenvatting voor je toets.
  2. Maak toets vragen voor jezelf.
timer
40:00

Slide 53 - Slide

Is je klas te snel klaar? Pak een oud examen en oefen samen.

Neem de tijd om dingen uit te leggen en rekenopdrachten te maken.

Je kunt ook nog een SO geven.
Terugkijken 
op de leerdoelen
Tijdens deze les herhalen we alle leerstof over Mens en Omgeving, zodat ik de begrippen begrijp, voorbeelden kan geven en verbanden kan uitleggen.

Slide 54 - Slide

8. Afsluiting
De docent controleert in de slotfase van de les of de leerdoelen door alle leerlingen behaald zijn en plaatst de les in de context van de betreffende periode. De docent evalueert samen met de leerlingen het leren en het gedrag en blikt vooruit aan de hand van de JdW-planner.

    Begrippen uit deze les

Slide 55 - Slide

This item has no instructions

Einde van de les
🔹 Denk goed aan je samenvatting
🔹 Lees alles nog een keer rustig door
🔹 Bekijk de LessonUps opnieuw
🔹 Oefen met de belangrijkste begrippen
🔹 Stel vragen als je iets nog lastig vindt

✨ Jij kunt dit! Zet ‘m op! ✨

Slide 56 - Slide

This item has no instructions