Voorbereiding proefwerk jaar 3

Herhaling
Paso Adelante 2
Hoofdstuk 2
Vraagwoorden + aanwijzende voornaamwoorden
1 / 20
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Herhaling
Paso Adelante 2
Hoofdstuk 2
Vraagwoorden + aanwijzende voornaamwoorden

Slide 1 - Slide

1 (Die) ___________ tomates son muy ricos. 
2 Ahí en (die) ___________ casa están mis amigos. 
3 Tienes que probar también (deze) ___________ tacos. 
4 (Dit) ___________ comida es típica de Argentina. 
5 Y tú, ¿Qué comes? No sé el nombre de (dit) ___________ plato.
6 ¡(deze) ___________ bebidas me gustan mucho!
7 No me gusta la carne. Voy a pedir (dat) ___________ plato vegetariano.
8 (Deze) ___________ refrescos son deliciosos.
9 ¡(Die) ___________ camarera es fantástica!
10 Quiero comer (deze) ___________ enchilada.

Vertaal onderstaande aanwijzende voornaamwoorden

Slide 2 - Slide

Aanwijzende voornaamwoorden.
esta
estos
estas
este
niña
instituto
música
casa
deportes
profesor
bolígrafos
mesas
alumno
sillas
alfombras
parque

Slide 3 - Drag question

Aanwijzende voornaamwoorden.
timer
0:30
esta
estos
estas
este
niña
instituto
música
deportes
profesor
bolígrafos
mesas
sillas

Slide 4 - Drag question

Aanwijzende voornaamwoorden
Geen aanwijzende voornaamwoorden
eso
ella
estos
ese
esto

este

esos
esta

estas
esa

esas

nuestra
ellas

tuyo

un
mío
vuestro
suyo

Slide 5 - Drag question

Wat zijn de aanwijzende voornaamwoorden voor dingen VERWEG

Slide 6 - Open question

Wat zijn de aanwijzende voornaamwoorden voor dingen DICHTBIJ

Slide 7 - Open question

4. Welk aanwijzend voornaamwoord hoort er op de open plek?
____ bolígrafo es azul.

Slide 8 - Open question

5. Welk aanwijzend voornaamwoord hoort er op de open plek?
____ son mis compañeros de clase.

Slide 9 - Open question

6. Welk aanwijzend voornaamwoord hoort er op de open plek?
____ es mi hermanita Juana.

Slide 10 - Open question

7. Welk aanwijzend voornaamwoord hoort er op de open plek?
¿Quién es _____ niño?

Slide 11 - Open question

8. Welk aanwijzend voornaamwoord hoort er op de open plek?
¿Quiénes son ____ chicas?

Slide 12 - Open question

Vul het juiste aanwijzend voornaamwoord in.

1. ………. camiseta (dichtbij).

Slide 13 - Open question

Vul het juiste aanwijzende voornaamwoord in:
... cinturones (daar)

Slide 14 - Open question

Zet het juiste aanwijzende voornaamwoord:
1. .....chica
2. .....profesor
3. .....estaciones
4. ......problemas
5. ....ciudad
6. ......ordenadores

Slide 15 - Open question

Vul het juiste aanwijzend voornaamwoord in.

2. ………. calcetines (daar bij jou).

Slide 16 - Open question

Vul het juiste aanwijzend voornaamwoord in.

4. ………. falda (daar bij jou).

Slide 17 - Open question

Vul de juiste vraagwoord in het Spaans in. Je mag een vraagwoord meer keren gebruiken. Kies uit: 

Qué - Quién - Cuándo - Cómo - Cuánto/a/s - Dónde 

1 ¿ ____________________ prefieres beber?

2 ¿____________________ se llama tu plato favorito?

3  ¿ ____________________ prepara la comida en casa? 

4 ¿____________________ refresco prefieres? 

5 ¿____________________ huevos necesitamos para la receta? 

6 ¿____________________ bananas quieres?

Slide 18 - Slide

Sleep de juiste vertaling van de vraagwoorden
 waar
hoeveel
hoe
wie
wanneer
waarom
wat / welk
¿Cuánto?
¿Cuándo?  
¿Cómo?
¿Dónde?  
¿Cuánta?
¿Por qué?

¿Quién?
¿Cuál? 
¿Qué?  

Slide 19 - Drag question

Sleep de  vraagwoorden naar de juiste zin.
¿... te llamas?
¿... años tienes?
¿vives?
¿... es tu número de teléfono?
Cómo
Cuántos
Dónde
Cuál

Slide 20 - Drag question