Taalvaardigheid: Werkwoorden en Spelling

Taalvaardigheid: Werkwoorden en Spelling

Learning objective

1 / 13
next
Slide 1: Slide
New lesson editorSpellingSpeciaal OnderwijsBasisschoolGroep 7

This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 39 min
Report this lesson

Items in this lesson

Taalvaardigheid: Werkwoorden en Spelling

Learning objective

Leerdoel

Aan het einde van de les kun je werkwoorden in de ik-, jij-, en hij/zij-vorm vervoegen en woorden met au(w)/ou(w), v/f, en s/z correct spellen.

Wat weet je al over werkwoordsvormen en spelling?

Werkwoorden in de ik-vorm

Oefen met het vervoegen van werkwoorden in de ik-vorm. Voorbeeld: Ik loop, ik eet, ik lees.

Werkwoorden in de jij-vorm

Oefen met het vervoegen van werkwoorden in de jij-vorm. Voorbeeld: Jij loopt, jij eet, jij leest.

Werkwoorden in de hij/zij-vorm

Oefen met het vervoegen van werkwoorden in de hij/zij-vorm. Voorbeeld: Hij loopt, zij eet, hij leest.

Spelling: au(w) en ou(w)

Oefen met woorden die au(w) of ou(w) bevatten. Voorbeelden: blauw, koud, saus.

Spelling: v en f

Oefen met v- en f-woorden. Voorbeelden: vis, fiets, verf.

Spelling: s en z

Oefen met s- en z-woorden. Voorbeelden: zon, zes, sap.

Toets Je Kennis

Maak een korte quiz over werkwoorden en spelling. Test je kennis!

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.