26112023 A2 TC 3.8

26112023 A2 TC 3.8
1 / 14
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 1

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

26112023 A2 TC 3.8

Slide 1 - Slide

Toms droom

Tom kan heel goed voetballen. Zijn vriend zegt dat hij de beste van hun team is. Hij denkt dat Tom na de zomervakantie in het eerste team gaat spelen.  
Op een woensdagmiddag staat de trainer van het eerste bij de kleedkamer te wachten. Hij vraagt Tom of hij wel eens over een voetbalcarrière droomt...

Slide 2 - Slide

Wat valt je op? Let op de werkwoorden
  • Zijn vriend zegt dat      hij de beste van hun team is.
  • Hij denkt dat      Tom in het eerste team gaat spelen.
  • De trainer vraagt of      Tom wel eens over en voetbalcarrière droomt.

Waar staan de werkwoorden
Waar staat de wie/wat?

Slide 3 - Slide

Waar staan de werkwoorden?
Zijn vriend zegt dat     hij   de beste van hun team   is.
Hij denkt dat     Tom   in het eerste team   gaat spelen.
De trainer vraagt of    Tom   wel eens over en voetbalcarrière droomt
Dus... waar staan de werkwoorden na   - hij zegt dat ....
                                                                                 - hij denkt dat ....
        op de laatste plaats!                              - hij vraagt of ....

Slide 4 - Slide

3.8 Hij zegt dat ... - Hij vraagt of ...
70





Slide 5 - Slide

Ik moet rennen, omdat ik te laat ben
Deze lange zin bestaat uit 2 zinnen:
Ik moet rennen.       en       Ik ben te laat.
Na omdat verandert de zin: wie/wat  staat vooraan en het werkwoord komt achteraan in de zin.
Ik moet rennen, omdat ik te laat ben.

Dat gebeurt ook bij als . Kijk maar:
Hij gaat zijn rijbewijs halen, als  hij   18 jaar   is.

Slide 6 - Slide

Goed of fout:
Hij vraagt of ik autoverkoper wil worden
A
Goed
B
Fout

Slide 7 - Quiz

Ik vind school leuk, omdat....
A
ik leer er goed Nederlands spreken
B
ik er goed Nederlands leer spreken

Slide 8 - Quiz

Ik ga naar de kapper als ...
A
mijn haar is te lang
B
lang is mijn haar
C
mijn haar te lang is
D
mijn nagels zijn lang

Slide 9 - Quiz

Goed of fout:
Hij zegt of hij zijn fietsband zelf heeft geplakt.
A
Goed
B
Fout

Slide 10 - Quiz

Gaan we nu iets anders doen?
Hij vraagt of .....
A
iets anders gaan we nu doen
B
gaan we nu iets anders doen
C
we nu iets anders gaan doen
D
nu gaan we iets anders doen

Slide 11 - Quiz

Gaan we nu iets anders doen?
Hij vraagt of....

Hij vraagt of we nu iets anders gaan doen.

Slide 12 - Slide

Maak de zin af en gebruik:
           
Hij zegt dat                                                                                  Hij vraagt of
                                                                                                                 

Slide 13 - Slide

opdrachten maken
opdr 71
opdr 72
opdr 73
opdr 74

Slide 14 - Slide