H2 Het Weer
Paragraaf 1
Het deeltjesmodel
H2 Het Weer
Paragraaf 1
Het deeltjesmodel
Leerdoelen
Weersverschijnselen
Op een zomerochtend wolkjes aan de lucht die 's avonds verdwijnen.
Na een koude nacht dauw op het gras. Dit verdwijnt rond de middag.
Op een herfstdag ontstaat mist. Dit verdwijnt zodra de zon doorbreekt.*
Dauw
Mist
De moleculen van een stof
Deeltjesmodel
Stoffen bestaan uit hele kleine deeltjes:
Moleculen
Moleculen van een stof veranderen niet
bij faseverandering.
Moleculen bewegen voortdurend.
Hoe warmer hoe sneller.
Ze trekken elkaar aan.
Dichter bij elkaar → meer aantrekking.
Faseovergangen en het weer
Lucht is een mengsel van gassen.
Waaronder watermoleculen (waterdamp).
Als temperatuur daalt worden dit kleine waterdruppels.
Deze kleine waterdruppels zie je als mist of dauw.
Als de temperatuur onder 0 graden valt krijg je
iets anders.
Dan krijg je rijp*
Leerdoelen
Lesstof lezen en opdrachten maken
Maak HW paragraaf 1, alle opdrachten!
H2 Het Weer
Paragraaf 2
Luchtdruk
Leerdoelen
Luchtdruk meten
Boven je, zit lucht
Des te hoger in de lucht des te minder
luchtdruk
Dit drukt op je → Luchtdruk
Meten met (metaal)barometer
Grootheid is Luchtdruk en eenheid
in millibar (mbar)
Natuurkundig eenheid is Pascal (Pa)
1 bar = 1000 mbar = 100.000 Pa
dus 1 mbar = 100 Pa*
Text
Luchtdruk
De luchtdruk verandert
Normaal tussen 970 en 1040 mbar
Is dit lager dan heb je een lagedrukgebied → slechter weer
Is dit hoger dan heb je een hogedrukgebied → beter weer
Op deze manier kan je dus controleren of het weer beter of slechter wordt.
Luchtdruk en hoogte
Van luchtdruk merk je weinig.
Holle ruimtes lichaam gevuld met lucht.
Meestal is de druk buiten hetzelfde als binnen het lichaam
Alleen bij snelle stijging of daling merk je hier iets van.
Luchtdruk neemt af met hoogte.
Barometer kan dus gebruikt worden als hoogtemeter.
De druk in een ruimte
Als je lucht in een ruimte
pompt wordt de druk hoger.
Moleculen botsen tegen de
wanden → gasdruk
Overdruk meten
Druk in een fietsband is noem je overdruk.
Verschil tussen luchtdruk binnen en buiten de band.
Absolute druk
Absolute druk = Luchtdruk + Overdruk
Dit wordt gemeten met een manometer
Leerdoelen
Herhalen paragraaf 1
Lesstof lezen en opdrachten maken
Paragraaf 2 alle opdrachten
H2 Het Weer
Paragraaf 3
Temperatuur
Temperatuur meten
Thermometer
Vloeistofthermometer
Temperatuur stijgt → vloeistof zet uit.
Thermometer ijken (het maken van
de schaalverdeling)
Andere soorten thermometers
Bimetaal (2 strips van verschillende
metalen die aan elkaar zijn verbonden.)
Metalen zetten verschillend uit
Hierdoor gaat het bimetaal krommen.
Elektronische thermometer
Elektrische schakeling
Signaal omgezet naar temperatuur
Gasdruk en temperatuur
Temperatuur heeft invloed op gasdruk.
Warmere temperatuur betekend dat deeltjes
meer bewegen.
Hierdoor botsen ze sneller en vaker tegen
de wanden.
Gasdruk neemt hierdoor toe.
Denk aan de Phet simulatie.
Het Absolute nulpunt
De laagste mogelijke temperatuur
-273 graden celcius (˚C)
Dit noemen we het absolute nulpunt
Moleculen bewegen niet meer.
Gasdruk is dan dus....
nul
Alleen in laboratoria
De kelvinschaal
Gebruikt bij natuurkunde
De kelvinschaal heeft een ander nulpunt
Het absolute nulpunt is hier 0 graden kelvin (K) dat is dus -273 graden Celsius.
Het omrekenen van graden celcius en graden kelvin:
Graden Celcius → +273 → Graden Kelvin
Graden kelvin → -273 → Graden Celcius
Dus:
0 °C= 273 °K, 20 °C = 20 + 273 = 293 °K
273 °K = 0 °C, 310 °K = 310 - 273 = 37 °C
Leerdoelen
Lesstof lezen en opdrachten maken
Huiswerk is alle opdrachten van paragraaf 3
H2 Het Weer
Paragraaf 4
Wolken en onweer
Het Dauwpunt
Lucht kan waterdamp bevatten
Hoe hoger de temperatuur van de lucht des te meer waterdamp de lucht kan opnemen.
Als de lucht afkoelt gaat de waterdamp condenseren → dauwpunt
Minder waterdamp → lager dauwpunt
Voorbeeld onderste grafiek*
Het ontstaan van stapelwolken
Zon warmt aardoppervlak op.
Warmere grond → Warmere lucht
Warme lucht zet uit en gaat hierdoor stijgen.
De stijgende lucht koelt af.
Dauwpunt → water condenseert
Water is zichtbaar-> stapelwolk onstaan
Onderkant wolk vlak → Condensatieniveau
Toppen wolk → Hoe hoog de warme lucht gestegen is.*
Mooiweerwolken en buienwolken
Klein temperatuur verschil
Stijgt minder hoog
Rustige luchtstroom
Kleinere wolken
Groot temperatuur verschil
Stijgt hoog
Onrustige luchtstroom
Grotere wolken
Donkere onderkant
Neerslag
Boven in de wolk vormen ijskristallen
Als deze te zwaar worden vallen ze naar beneden
Tijdens het vallen smelten ze en krijg je regen
Is de luchttemperatuur lager dan 0 °C dan krijg je geen regen
Sneeuw of hagel*
Onweer
Warme lucht stijgt snel op.
Onweerswolken die meer dan 10km hoog kunnen worden
Lucht is snel in beweging
Hagel en regen vallen naar beneden en botsen.
Elektrisch geladen met een spanning van honderden miljoenen volt.
Dit zorgt voor een enorme vonk → Bliksemstraal
Temperatuur tot 30.000 °C
De lucht zet kort uit door de grote temperatuur.
Hierdoor ontstaat een geluidsgolf → Donder *
Leerdoelen
Lezen en maken met potlood
Paragraaf 1:
BLZ: 74-82
Opdracht: 1 t/m 11
Paragraaf 2:
BLZ: 84 t/m 92
Opdracht: 1 t/m 12
Paragraaf 3:
BLZ: 94 t/m 103
Opdracht: 1 t/m 14
Paragraaf 4:
BLZ: 105 t/m 112
Opdracht: 1 t/m 12
Alles Af?
Laten zien!
Nakijken!