Les 6 3 oktober 2026 (VO3)

Les 6 3 oktober 2026 (VO3)
1 / 28
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecondary EducationAge 13

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Les 6 3 oktober 2026 (VO3)

Slide 1 - Slide

Les 6 VO3

Wat gaan we vandaag doen? 

1. Hoe ging het met het huiswerk? 
2. Paulien Cornelissen over Nederlands.  
3. Onbepaald voornaamwoord: introductie. 
3. Cursus 5 Grammatica §5 Verwijzen (blz 214-215) - verder ermee.   


Slide 2 - Slide

Hoe ging het met huiswerk maken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 3 - Poll

Hoe lang duurde het huiswerk maken ongeveer?
minder dan 1.5 uur
meer dan 1.5 uur

Slide 4 - Poll

Cursus 5, par 5: verwijzen (hen/hun herhaling)

Slide 5 - Slide

Hun en hen

Slide 6 - Slide

Hun of Hen?
dus eerst: is er een voorzetsel? bijvoorbeeld: aan, achter, bij, in, met, naar, op, tegen, uit, van, voor enzovoorts. 

Ja: HEN
Nee: Is het een lijdend voorwerp? 
             Ja: dan HEN
              nee: waarschijnlijk hun. 




Slide 7 - Slide

Even oefenen:
Ik zie een groepje leerlingen. Ik roep ...
A
hen
B
hun

Slide 8 - Quiz

Jan en Yet vinden het nog lastig. Ik leg het .... nog een keer uit.
A
hen
B
hun

Slide 9 - Quiz

Slide 10 - Video

Cursus 5, par 5: verwijzen (wat)

Slide 11 - Slide

Verwijzen met wat
Met het verwijswoord wat verwijs je naar:
  • dat en datgene:
    Voorbeeld:  Datgene wat ik vaak nodig heb, is in de winkel niet op voorraad.
  • een onbepaald voornaamwoord, zoals alles, iets, niets:
    Voorbeeld: Alles wat je me nu vertelt, is nieuw voor mij.

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Video

Verwijzen met wat - 2
Let op:
als een onbepaald voornaamwoord naar een persoon verwijst, zoals iemand, niemand en iedereen, gebruik je geen wat, maar die.

Voorbeeld: Dat is nou juist iemand die ik heel aardig vind.

Slide 14 - Slide

Verwijzen met wat - 3
Met het verwijswoord wat verwijs je verder naar:
  • het + overtreffende trap (zonder zelfstandig naamwoord):
    Voorbeeld: Liefde is het mooiste wat je kan overkomen.
  • een hele zin:
    Voorbeeld: De baby van de jonge ouders bleef maar huilen, wat de andere gasten in het restaurant erg vervelend vonden.

Slide 15 - Slide

Verwijzingen 
Kortom: Met het woordje 'wat' verwijzen we naar hele zinnen, de overtreffende trap en naar onbepaalde voornaamwoorden. 

Met het woordje 'die' verwijzen we naar de-woorden
Met het woordje 'dat' verwijzen we naar het-woorden


Slide 16 - Slide

We hebben alles, ..... de docent vertelde, opgeschreven
A
dat
B
die
C
wat
D
dit

Slide 17 - Quiz

Dat schilderij is echt het mooiste .... ik ooit gezien heb.
A
wat
B
dat
C
die
D
dit

Slide 18 - Quiz

Het gaafste liedje ....... ik ken is 'Wuthering Heights' van Kate Bush.
A
wat
B
dat
C
dit
D
die

Slide 19 - Quiz

Het is lekker hoog gezongen, ...... ik prachtig vind.
A
dat
B
wat

Slide 20 - Quiz

Verschil zaken/personen
Om naar mensen te verwijzen, gebruik je:
aan wie, met wie, voor wie etc. (los dus!)
De jongen met wie ik naar school fiets, is aardig.

Om naar zaken/dingen te verwijzen, gebruik je:
waaraan, waarvoor, waarmee etc. (aan elkaar)
De fiets waarop ik naar school fiets, is gammel.

Slide 21 - Slide

Verwijzen - oefenen
Noordhoff
Opdracht 5 - (in de les)
Opdracht 6A
Opdracht 7A
Opdracht 8A
Opdracht 9A (uitleg)
Opdracht 10A

Slide 22 - Slide

Anita's ouders wonen vlakbij en ze bezoekt .... vaak
A
zij
B
hen
C
hun
D
die

Slide 23 - Quiz

Marie neemt dan iets lekkers voor... mee en bezorgt...een gezellig middag
A
hen en hun
B
hun en hen
C
ze en hun
D
hem..hem

Slide 24 - Quiz

Huiswerk voor 10 oktober
- Lees in je Nederlandse leesboek.   
- Cursus 1 Meer dan lezen §5 Vaste tekststructuren: Maak opdracht 2 en 3, met behulp van de theorie.     
 - Grammatica - opdrachten Verwijzen 8a, 9a, 10a.   

Slide 25 - Slide

De-woorden en het-woorden 
Het-woorden: onzijdig (namen van landen, provincies, steden, clubs en verkleinwoorden) 

De-woorden: mannelijk of vrouwelijk 

De-woorden op de volgende uitgangen: 
-heid, -nis, -ing, -schap, -st, -te, -de, -ie, -ij, -iek, -theek, -teit, -tuur

Slide 26 - Slide

Haal je medicijnen bij ... apotheek
A
de
B
het

Slide 27 - Quiz

Ik zwem liever niet in een meer, ik geef de voorkeur aan ... zwembad.
A
de
B
het

Slide 28 - Quiz