Les 11 mei

Vandaag
Opwarmer
telwoorden
Werkwoorden
Les 3 Ada afmaken
Boek: Nederlands in Gang


1 / 38
next
Slide 1: Slide
NT2Enseignement Secondaire

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Vandaag
Opwarmer
telwoorden
Werkwoorden
Les 3 Ada afmaken
Boek: Nederlands in Gang


Slide 1 - Slide

Opwarmer
https://jeugdjournaal.nl/artikel/2613245-met-joanke-en-rolf-sanchez-in-de-helikopter-op-bevrijdingsdag

https://stories.nos.nl/video/2613626-hackers-hebben-gegevens-studenten-vind-ik-wel-eng

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Hoe oud ben jij?
(schrijf het in letters)

Slide 4 - Open question

3
A
dire
B
drie
C
derie
D
trie

Slide 5 - Quiz

20
A
twintig
B
twentig
C
twinteg
D
twenteg

Slide 6 - Quiz

negen - drie =
A
vier
B
vijf
C
zes
D
zeven

Slide 7 - Quiz

Veertien - vier = elf
A
waar
B
niet waar

Slide 8 - Quiz

vijf min vijf is
A
vijf
B
nul
C
tien
D
vijfentwintig

Slide 9 - Quiz



Hoeveel blokjes liggen hier?
A
zes
B
vijf
C
acht
D
zeven

Slide 10 - Quiz

Hoeveel blokjes liggen hier?
(schrijf in letters)

Slide 11 - Open question

Werkwoorden

Slide 12 - Slide

Doel van de les
Ik kan werkwoorden vervoegen in de tegenwoordige tijd (nu)

Slide 13 - Slide

Werkwoordspelling
Wat gaan we leren vandaag?

- wat zijn werkwoorden?
- wat is de tegenwoordige tijd? 
- hoe schrijf je een werkwoord in de tegenwoordige tijd?

Slide 14 - Slide

Wat is een werkwoord?
Schrijf een aantal werkwoorden op.

Slide 15 - Mind map

Wat is een goede zin?
A
Zij krijg een auto.
B
Zij krijgen een auto.
C
Zij krijg auto.
D
Zij krijgen auto.

Slide 16 - Quiz

Hoe maak je een goed werkwoord? 
Ik wandel
Jij wandel
Hij wandel
Zij wandelt
Wij wandelen
Jullie wandelen
Zij wandelen 

Slide 17 - Slide

Hoe maak je een goed werkwoord? 
Ik doe boodschappen 
Jij doe ....  boodschappen
Hij doe .... boodschappen
Zij doe ..... boodschappen
Wij doen boodschappen
Jullie doen boodschappen
Zij doen boodschappen 

Slide 18 - Slide

Hoe maak je een goed werkwoord? 
Ik fiets naar school 
Jij fietst naar school 
Hij  fietst naar school 
Zij  fietst naar school 
Wij  ..............naar school 
Jullie  ...........naar school 
Zij  ...........naar school 

Slide 19 - Slide

De 'tegenwoordige tijd' is NU.
Welke zin is in de tegenwoordige tijd?
A
De kinderen spelen in de tuin.
B
De kinderen speelden in de tuin.

Slide 20 - Quiz

De 'tegenwoordige tijd' is NU.
Welke zin is in de tegenwoordige tijd?
A
Hij kreeg een boek voor z'n verjaardag.
B
Zij krijgen een taart voor hun verjaardag.
C
Wij kregen speelgoed op onze verjaardag.

Slide 21 - Quiz

LET OP: bij een vraag met 'jij'
Jij wilt een fiets > Wil jij een fiets? 
Jij maakt een taart > Maak jij een taart?
Jij loopt naar school > Loop jij naar school? 

Slide 22 - Slide

Wat is de goede zin?
A
Wandel je even met me mee?
B
Wandelt je even met me mee?

Slide 23 - Quiz

Wat is de goede zin?
A
Bedenkt je even een ander plan?
B
Bedenk je even een ander plan?

Slide 24 - Quiz

Geef het goede antwoord in de tegenwoordige tijd.
Het meisje (bellen) de politie.
A
Het meisje belde de politie.
B
Het meisje bellen de politie.
C
Het meisje bel de politie.
D
Het meisje belt de politie.

Slide 25 - Quiz

Geef het goede antwoord in de tegenwoordige tijd.
Ik (dromen) van hoge bergen en zon.
A
Ik droom van hoge bergen en zon.
B
Ik drom van hoge bergen en zon.
C
Ik droomde van hoge bergen en zon.
D
Ik dromen van hoge bergen en zon.

Slide 26 - Quiz

Geef het goede antwoord in de tegenwoordige tijd.
De paarden (rennen) vrolijk in de wei.
A
De paarden rent vrolijk in de wei.
B
De paarden rennt vrolijk in de wei.
C
De paarden renden vrolijk in de wei.
D
De paarden rennen vrolijk in de wei.

Slide 27 - Quiz

Vul het goede werkwoord in.
Elke dag (leren) wij wat nieuws.

Slide 28 - Open question

Vul het goede antwoord in.
Morgen (spelen) ik weer met mijn poppen.

Slide 29 - Open question

Vul het goede antwoord in.
Mijn moeder (bakken) vaak een appeltaart.

Slide 30 - Open question

Vul het goede antwoord in.
De oude man (slapen) in zijn oude stoel.

Slide 31 - Open question

Wat is het goede werkwoord?
Hij (verkopen) de oude telefoon aan zijn zusje.
A
verkop
B
verkoop
C
verkopen
D
verkoopt

Slide 32 - Quiz

Wat is het goede werkwoord?
Jullie moeder (gapen) in de ochtend.
A
gap
B
gaap
C
gaapt
D
gapen

Slide 33 - Quiz

Wat is het goede werkwoord?
Hun ouders (tikken) op het raam.
A
tikken
B
tikten
C
tiken
D
tikt

Slide 34 - Quiz

Wat is het goede werkwoord?
Het jonge meisje (slepen) haar pop over straat.
A
sleept
B
sleep
C
slepen
D
slept

Slide 35 - Quiz

Les 3
Verder met les 3

https://docs.google.com/document/d/1_kcwGMnBCXPsKmTIzv94rG3n0K7lnqV_529DgFzi3Uw/edit?usp=sharing

Slide 36 - Slide

Nederlands in gang
Start

Slide 37 - Slide

Les 11 mei

Slide 38 - Slide