Les 17 taal PABO, 12 maart 2026

Les 17 | Taal 2.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie
1 / 26
next
Slide 1: Slide
NederlandsHBOStudiejaar 1,2

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Les 17 | Taal 2.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie

Slide 1 - Slide

Inchecken; Hoe voel je je nu?

Slide 2 - Slide

Hoe voel je je?

Blij, enthousiast of..
Normaal, rustig of...
Moe, nerveus, verdrietig of...

Slide 3 - Open question

De vorige les.
Taal 2.
Lesdoel(en) | Lesson objective(s):
  • Ik leerde wat impliciet en expliciet stimuleren van woordenschat betekent.
  • Ik leerde verschillende didactische aanpakken om woorden aan te leren.
  • Ik leerde dat taal een functie, systeem en betekenis heeft.
  • Ik leerde wat taalbeschouwing is.

Slide 4 - Slide

Vraag uit een eerdere les | Taalverwerving; Welke theorie over taalverwerving zie je in deze situatie terug? Leg je antwoord uit. Let op: Er worden er 2 gebruikt.

Tijdens een kringgesprek in groep 1 zegt een kind: “Ik loopte gisteren naar de speeltuin.” De leerkracht herhaalt de zin correct: “Oh, jij liep gisteren naar de speeltuin?” en gaat verder in gesprek met het kind

Slide 5 - Open question

Stimuleren van woordenschat; Een leerkracht in groep 2 leest een prentenboek voor over de boerderij. Tijdens het voorlezen praten de kinderen over wat ze op de plaatjes zien en vertellen ze over hun eigen ervaringen met dieren. De leerkracht legt niet bewust nieuwe woorden uit, maar gebruikt wel rijke taal tijdens het gesprek.

Welke vorm van woordenschatstimulering wordt hier vooral gebruikt?

A. Expliciet stimuleren van woordenschat, omdat de leerkracht nieuwe woorden gebruikt.
B. Impliciet stimuleren van woordenschat, omdat kinderen woorden leren via betekenisvolle ervaringen en gesprekken.
C. Expliciet stimuleren van woordenschat, omdat er een boek wordt gebruikt.
D. Impliciet stimuleren van woordenschat, omdat de leerkracht geen interactie heeft met de kinderen.

Slide 6 - Open question

Didactische aanpakken; Een leerkracht werkt in groep 4 met het thema “De zee”. Zij leest verschillende fictie- en non-fictieboeken over de zee voor, bespreekt de inhoud met de leerlingen en laat hen daarna een opdracht maken waarin zij hun kennis over het thema toepassen. Bij het controleren kijkt de leerkracht vooral of de leerlingen het thema begrijpen, en niet alleen of zij losse woorden kennen.

Bij welke aanpak van woordenschatonderwijs past deze werkwijze het best?

A. De viertakt van Verhallen, omdat de leerkracht woorden meerdere keren laat herhalen.
B. De viertakt van Van Koeven en Smits, omdat er gewerkt wordt met thema’s, boeken en betekenisvolle opdrachten.
C. De viertakt van Verhallen, omdat er gebruik wordt gemaakt van verhalen.
D. De viertakt van Van Koeven en Smits, omdat nieuwe woorden expliciet worden uitgelegd en zeven keer worden herhaald.

Slide 7 - Open question

Taal; functie, systeen, betekenis; Lees de volgende zin: De sporter brak een tak tijdens het hardlopen in het bos.

Welke betekenisrelatie past het best bij het woord “tak” in vergelijking met het woord “tak” in de zin: Turnen is een tak van sport.

A. Synoniem
B. Polyseem
C. Homoniem
D. Antoniem

Slide 8 - Open question

Taalbeschouwing; Tijdens een taalles bespreekt een leerkracht met de leerlingen waarom je in een sollicitatiebrief andere taal gebruikt dan in een appje aan een vriend. De leerlingen praten over formele en informele taal.

Met welk onderdeel van taalbeschouwing zijn de leerlingen hier vooral bezig?

A. Taalsysteem
B. Taalgebruik
C. Taalverandering
D. Taalvariatie

Slide 9 - Open question

Instructie.
Taal 2.
Lesdoel(en):
  1. Ik leer over het waarom en hoe betreft taalbeschouwing (o.a. taalbeschouwingsstrategieën).
  2. Ik leer wat werkwoordspelling moeilijk maakt.
  3. Ik kan uitleggen welke drie didactieken er zijn voor de werkwoordspelling en ik kunt deze toepassen.
  4. Ik kan fouten in de werkwoordspelling analyseren in categorieën.

Deze les bevat theorie vanuit bijeenkomst 4 en 5.



Slide 10 - Slide

Instructie.
Waarom en hoe; taalbeschouwing.
Waarom (middel);
  • Om de taalvaardigheid te vergroten;
  • Om de spelling te leren begrijpen;
  • Om vreemde talen te leren;
  • Om de moedertalen van kinderen te vergelijken;
  • Om inzicht/redeneringsvermogen te vergroten
  • Om plezier te krijgen in taal.



Slide 11 - Slide

Instructie.
Waarom en hoe; taalbeschouwing.
Waarom (doel);
  • Om iets te leren over de wereld waarin je leeft;
  • Om grip te krijgen op de taal die je spreekt:
    Meta-taal
    Dat is taal over taal. Bijvoorbeeld: je zegt tegen een vriend: “Het woord ‘lopen’ is een werkwoord.” Je praat dus over woorden zelf, niet alleen over de dingen die ze betekenen.
    Conceptualiserende functie
    Dat betekent dat taal je helpt om ideeën en gedachten te begrijpen en te ordenen. Bijvoorbeeld: door te leren wat een ‘familie’ is, begrijp je beter hoe mensen bij elkaar horen.



Slide 12 - Slide

Instructie.
Waarom en hoe; taalbeschouwing.
Grammatica.

Wanneer wordt grammatica aangeboden?
  • Vanaf de differentiatiefase: ontwikkeling syntactische vaardigheden.
  • Vanaf groep 5: woordsoorten en zinsdelen.





Slide 13 - Slide

Instructie.
Waarom en hoe; taalbeschouwing.
Hoe kun je kinderen laten nadenken over taal (taalbeschouwing)?

  1. Van deductief (van regels en uitleggen, naar oefenen):
    Regel uitleggen – voorbeeld bij regel – oefenen met regel – oefening nakijken
  2. Naar inductief (zelfontdekkend leren):
    LUS-model = Voelen – vatten – verwerken --> didactisch model
    Voorwaarden: werken met levensechte materialen en authentieke taken.






Slide 14 - Slide

Instructie.
Taalbeschouwingsstrategieën.
  1. Analyseren: zoeken naar stukjes in een woord
    On – ken, bekend – onbekende ; m / aa / n
  2. Relateren: relaties leggen tussen woorden en zinnen
    Er zijn veel bedreigde diersoorten, zoals de reuzenpanda.
  3. Vergelijken: verschillen en overeenkomsten
    Je moet wel moed hebben. / Amalia als voornaam klinkt wel erg voornaam.
  4. Classificeren: indelen op basis van analyseren en vergelijken
    ‘Aangebrande’ is net zo’n woord als ‘rode’.
  5. Generaliseren: komt vaak tot stand op basis van vergelijking
    In een vragende zin staat de persoonsvorm vooraan.
  6. Herordenen: vanuit een ander gezichtspunt woorden en zinnen bekijken en opnieuw indelen
    Moe, moeder, moest. --> Hoe moe moeder moest zijn, heb ik pas later beseft.

Slide 15 - Slide

Instructie.
Werkwoordspelling.
Uitgangspunt werkwoordspelling = Consequent de regels volgen. Er zijn geen uitzonderingen!


Waarom wordt dit onderdeel dan toch zo moeilijk gevonden?
  1. Je moet gebruik maken van verschillende spellingsregels en -principes.​
  2. Er wordt een groot beroep gedaan op je grammaticale inzicht.​
  3. Werkwoordspelling kan op een verkeerde manier worden aangeleerd.​

Slide 16 - Slide

Instructie.
Werkwoordspelling; didactieken.
Er zijn drie didactieken om werkwoordspelling aan te leren.


Slide 17 - Slide

Instructie.
Werkwoordspelling; didactieken.
  1. Regeldidactiek.
    Tegenwoordige tijd
    Ik: schrijf de ik-vorm
    Jij/hij: schrijf ik-vorm + t
    Wij/jullie/zij: schrijf het hele ww

  2. Analogiedidactiek.
    Kapstok-werkwoorden.

  3. Algoritmedidactiek.
    Belangrijke regel = eerst ontleden.
    De persoonsvorm = stappenplan volgen.
    Overige werkwoorden = algemene spellingsregels.




Slide 18 - Slide

Instructie.
Werkwoordspelling; foutenanalyse.
  1. Werkwoordsfouten:​
    Herkennen van de werkwoordsvorm
    Herkennen van de tijd​
    Herkennen van het onderwerp​
    Herkennen van de ik-vorm​
    Bepalen van de uitgang​
  2. Andere fouten:​
    Onvoldoende woordenschat​
    Gewone spellingregels​

Slide 19 - Slide

Instructie.
Taalbeschouwing in het onderwijs.
Taalbeschouwing in het onderwijs.
  • Taaltoetsend onderwijs: controleren van begrip. 
    De leerkracht controleert of de leerlingen de uitleg hebben begrepen.
  • Taalontwikkelend onderwijs: nieuwe inzichten opdoen.
    Leerlingen leren nieuwe dingen over taal.

Slide 20 - Slide

Zelfstandige verwerking.
Kennis testen.
Lesdoel(en):
  1. Ik leer over het waarom en hoe betreft taalbeschouwing (o.a. taalbeschouwingsstrategieën).
  2. Ik leer wat werkwoordspelling moeilijk maakt.
  3. Ik kan uitleggen welke drie didactieken er zijn voor de werkwoordspelling en ik kunt deze toepassen.
  4. Ik kan fouten in de werkwoordspelling analyseren in categorieën.

Slide 21 - Slide

Een leerkracht wil dat leerlingen ontdekken hoe je een verkleinwoord maakt. Zij laat eerst verschillende woorden zien, zoals boek – boekje, huis – huisje en boom – boompje. De leerlingen bespreken wat ze opvalt en proberen daarna zelf de regel te formuleren.

Van welke manier van leren is hier sprake?

A. Deductief leren, omdat de leerkracht eerst de regel uitlegt.
B. Deductief leren, omdat leerlingen oefenen met voorbeelden.
C. Inductief leren volgens het LUS-model, omdat leerlingen zelf de regel ontdekken.
D. Taaltoetsend onderwijs, omdat de leerkracht controleert wat leerlingen weten.

Slide 22 - Open question

Een leerkracht geeft leerlingen de woorden “morgen”, “naar”, “wij”, “gaan”, “museum”.
Een leerling maakt de zin:
“Morgen gaan wij naar het museum.”

Welke denkhandeling uit taalbeschouwing gebruiken de leerlingen hier vooral?

A. Analyseren
B. Relateren
C. Herordenen
D. Classificeren

Slide 23 - Open question

Tijdens een spellingles wil een leerkracht dat leerlingen de juiste vorm van een werkwoord schrijven. De leerkracht zegt:
Zoek eerst de persoonsvorm in de zin.
Bepaal de tijd van de zin.
Pas daarna de juiste spellingregel toe.

Van welke didactische aanpak is hier vooral sprake?

A. Regeldidactiek, omdat leerlingen een regel leren voor de tegenwoordige tijd.
B. Analogiedidactiek, omdat leerlingen werken met kapstokwerkwoorden.
C. Algoritmedidactiek, omdat leerlingen een stappenplan volgen.
D. Inductieve didactiek, omdat leerlingen zelf de regel ontdekken.

Slide 24 - Open question

Een leerling schrijft de zin:
“Hij vindt zijn sleutels en wordt boos.”
De leerling schrijft echter: “Hij vind zijn sleutels en word boos.”

Waardoor ontstaan deze werkwoordsspelfouten waarschijnlijk?

A. De leerling herkent de ik-vorm van het werkwoord niet goed.
B. De leerling herkent het onderwerp in de zin niet goed.
C. De leerling herkent de tijd van de zin niet goed.
D. De leerling heeft onvoldoende woordenschat.

Slide 25 - Open question

De volgende les.
Wat ga je leren?
De volgende les:
  • Leer ik uitleggen waarom er urgentie is om het leesonderwijs in Nederland anders in te richten.
  • Leer ik toelichten welke factoren bijdragen aan tekstbegrip.
  • Leer ik teksten modelleren door hardop je denkstappen te zetten.
  • Kan ik onderbouwd vertellen wat ik in de klas kan doen aan effectief leesonderwijs.

Belangrijk: Ik stuur je, na elke les, de LessonUples naar je toe. Herhalen is belangrijk.



Slide 26 - Slide