6 Sprachstadt 25-26 Restaurant

Herzlich Willkommen liebe Leute!
Ga naar  de test-correct app en log in via Entree voor de mini-toets. Klaar? Maak alvast huiswerk:  blz 46 tm 48
timer
10:00
1 / 18
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Herzlich Willkommen liebe Leute!
Ga naar  de test-correct app en log in via Entree voor de mini-toets. Klaar? Maak alvast huiswerk:  blz 46 tm 48
timer
10:00

Slide 1 - Slide

Log in op de test-correct app
Klaar met de test? Ga naar Itslearning en schrijf het huiswerk dat volgende les af moet zijn op in je agenda.
timer
10:00

Slide 2 - Slide

DIE ANTWORTEN

  • Guten Tag! Haben Sie (u) einen Tisch (tafel) für zwei Personen? Hint: wees beleefd en zeg "u", maar let op! het woord "u" in het Duits schrijf je met een hoofdletter.
  • Darf (mag) ich Sie etwas fragen? Haben Sie das Gericht ohne (zonder) Gurken?
  • Ich möchte etwas trinken, bitte alstublieft. Ich hätte (had) gerne einen Almdudler.
  • Das Essen (eten) ist zu salzig. Hint: eten is hier een zelfstandig naamwoord, je kunt namelijk zeggen: het eten, dus schrijf je "eten" met een hoofdletter.
  • Entschuldigung! Kann (Kan) ich noch etwas bestellen?
  • Ich hätte gerne die Rechnung (rekening), bitte.
  • Kann ich bitte die Speisekarte (menukaart) noch einmal sehen?

Slide 3 - Slide

Meme/Witz der Woche
Was bedeutet dieser Witz?

Slide 4 - Slide

Zungenbrecher-Battle  Aufgabe 23 Seite 42/43
Doel: je oefent je uitspraak met een tongbreker.

Stap 1  (individueel) : Lees de Zungenbrecher en onderstreep welke woorden moeilijk uit te spreken zijn (2 Min.)
Stap 2 ( in 2-tallen) Oefen met een partner en corrigeer elkaar. (2 Min,
Stap 3: (in je MC): Spreek om de beurt de zin uit en beoordeel je buurmens  op uitspraak, duidelijkheid, zelfvertrouwen en creativiteit/flair
Wer hat gewonnen?
timer
2:00

Slide 5 - Slide

Dialoge im Restaurant: Bestellen und Probleme melden
Doel: oefenen met bestellen en een klacht
Ronde 1: Voorbereiding
Werk in tweetallen: kies wie rol A (de gast) en wie rol B (de ober) speelt. (2 minuten)
Bereid nu je gesprek individueel voor. (10 minuten)
• Wat doet A (gast): Vertaal de A-zinnen/instructies (Nederlands) naar het Duits (gebruik de woordenlijst) en schrijf ze in je schrift.
• Wat doet B (ober): Vertaal de B-zinnen (Duits) naar het Nederlands en schrijf die vertaling in je schrift.

Ronde 2: Oefenen (5 minuten)
Oefen het gesprek samen net zo lang totdat jullie het uit het hoofd kunnen (zonder papier).

Ronde 3: Presenteren
Voer het gesprek voor de klas of in je maatjescirkel (MC) op.


timer
2:00

Slide 6 - Slide

 Presentatie voor de klas 🎤
• Een tweetal speelt het gesprek na voor de klasof mc: acteer!!!
Om je je gesprek realistisch en levendig te maken: 
✅Doe het uit je hoofd,
✅ Luister goed naar je gesprekspartner en reageer 
echt op de antwoorden. Gebruik compenserende strategieën
✅ Gebruik gebaren en gezichtsuitdrukkingen.

👀 De klas schrijft feedback op: (1 tip en 1 top)
• Wat ging goed (top)?
• Wat had je wanneer kunnen zeggen om het gesprek nog
 realistischer te laten lijken (tip)?

COMPENSERENDE STRATEGIEËN:

Als je het niet verstaat:
- Können Sie das wiederholen?
- Was bedeutet das?

Als je niet in het Duits kunt antwoorden:
Wie sagt man/ heißt ... auf Deutsch?




Slide 7 - Slide

Slide 8 - Link

Hausaufgaben aufschreiben & machen
  • Leer de woorden en zinnen op blz 62  van je projectboekje van Nederlands naar Duits (leer elke dag minimaal 10 minuten) → minitoetsje & herhaal blz 59,60,61
  • Maak blz 46, 47    
  • Als je blz 1 tm 45 niet volledig af had, maak je ook die nog af --> huiswerkcheck
  • Neem je projectboekje mee naar de les voor de huiswerkcheck.
timer
20:00

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Burgerschap en aktualiteit: 

Karneval in Deutschland
Der Karneval in Deutschland ist ein großes Fest im Februar. In vielen Städten wie Köln und Düsseldorf feiern die Menschen vom 12. bis 17. Februar 2026 mit bunten Kostümen und Umzügen. Besonders beliebt ist der Rosenmontag am 16. Februar, wenn große Paraden durch die Straßen ziehen. Viele Leute rufen „Alaaf“ oder „Helau“ und essen Süßigkeiten. Karneval ist eine lustige Zeit vor der Fastenzeit und bringt Freunde und Familie zusammen.

Beantwoord de vragen in het Nederlands:
1. Wanneer wordt carnaval in Duitsland in 2026 gevierd volgens de tekst?
2. Wat gebeurt er op Rosenmontag?
3. Wat doen mensen bij de grote optochten op Rosenmontag volgens de tekst?

Slide 11 - Slide

1. Wanneer wordt carnaval in Duitsland in 2026 gevierd volgens de tekst?
A
Van 1 tot 5 februari
B
Van 12 tot 17 februari
C
Van 16 tot 20 februari
D
In maart

Slide 12 - Quiz

2. Wat gebeurt er op Rosenmontag volgens de tekst?
A
Mensen blijven thuis.
B
De scholen zijn altijd gesloten.
C
Er zijn grote optochten in de straten.
D
Mensen vasten de hele dag.

Slide 13 - Quiz

Wat doen mensen bij de grote optochten op Rosenmontag volgens de tekst?
A
Mensen roepen feestkreten en eten snoepjes.
B
Mensen kijken naar optochten en eten traditioneel eten.
C
Mensen zingen liedjes en eten samen een maaltijd.
D
Mensen luisteren naar toespraken en drinken warme dranken.

Slide 14 - Quiz

Bürgerschaft und Aktualität in Deutschland
Karnevalshit des Jahres 2026; Tanzt du mit?

Ich bin 'ne Karnevalsmaus | Ik ben een carnavalsmuis
Eine was? | Een wat?

Und ich geh nicht ohne Kölsch | En ik ga niet zonder Kölsch
aus dem Haus. | het huis uit.

Ohne was? | Zonder wat?

Ganz egal wohin? | Het maakt niet uit waarheen?
Wohin? Wohin? | Waarheen? Waarheen?
Ich bin immer mittendrin! | Ik sta er altijd middenin!  
Mittendrin! Mittendrin!  |  Middenin! Middenin!

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Link

Doelen checken/ Exit-ticket:
1. Schrijf 1 vraag over de les van vandaag op (in het NL).
2. Schrijf 2 Duitse woorden uit de les van vandaag fonetisch op (dus hoe je ze uitspreekt).
3. Schrijf 3 Duitse woorden + Nederlandse vertaling op uit de les van vandaag.

Slide 17 - Open question

1. Schrijf 3 Duitse woorden op die je vandaag (op)nieuw geleerd hebt.
2. Schrijf twee Duitse woorden fonetisch (zoals je het uitspreekt op)
3. Schrijf 1 vraag

Slide 18 - Open question