Meervoud

Meervoud
1 / 37
next
Slide 1: Slide
BurgerschapBasisschoolGroep 3

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Meervoud

Slide 1 - Slide

Meervoud
a, e, I, o, u, y, er, en, je ---- -s
Oma – oma’s
Dochter – dochters
-en
Vrouw – vrouwen
Man – mannen


Slide 2 - Slide

Wat is de meervoud van: baby
A
baby's
B
babies

Slide 3 - Quiz

Wat is de meervoud van: meisje
A
meisjes
B
mesijen

Slide 4 - Quiz

Wat is de meervoud van: man
A
manes
B
mannen

Slide 5 - Quiz

Wat is de meervoud van: tante
A
tanten
B
tantes

Slide 6 - Quiz

Wat is de meervoud van: puber
A
puberen
B
pubers

Slide 7 - Quiz

schrijf de meervoud van: zus

Slide 8 - Open question

schrijf de meervoud van: kind

Slide 9 - Open question

schrijf de meervoud van: zoon

Slide 10 - Open question

schrijf de meervoud van: tafeltje

Slide 11 - Open question

schrijf de meervoud van: ouder

Slide 12 - Open question

woordenschat thema 4

Slide 13 - Slide

Ik drink vanmiddag een kopje thee.
A
B

Slide 14 - Quiz

Mijn moeder is ziek.
A
B

Slide 15 - Quiz

Mijn tante werkt in de tuin.
A
B
C

Slide 16 - Quiz

Ik ga wandelen op het strand.
A
B
C

Slide 17 - Quiz

Ik ga naar de markt om boodschappen te doen.
A
B
C

Slide 18 - Quiz

Mijn dochter kookt soep.
A
B
C

Slide 19 - Quiz

Ik lees een leuk boek.
A
B
C
D

Slide 20 - Quiz

afdrogen: De man droogt het bord af.
A
B
C

Slide 21 - Quiz

Ik kam mijn haar elke ochtend.
A
B

Slide 22 - Quiz

moeten, mogen, willen, kunnen 

Slide 23 - Slide

Ik ________ (moeten) naar de kapper in het weekend.
A
moete
B
moet
C
moeten

Slide 24 - Quiz

Hij _____ (willen) graag een kopje koffie drinken.
A
wilt
B
wil
C
wille
D
willet

Slide 25 - Quiz

De kinderen _________ (mogen) naar huis.
A
mag
B
magen
C
mogen

Slide 26 - Quiz

Hij ______ (mogen) thuis blijven.
A
mogt
B
mag
C
magt
D
maagt

Slide 27 - Quiz

Jij _______ (kunnen) goed koken!
A
kun
B
kunt/kan
C
kunte

Slide 28 - Quiz

Jan ____ (willen) in de vakantie 2 boeken lezen.
A
wilt
B
wil
C
wilte

Slide 29 - Quiz

Jullie ________ (willen) morgen vrij.
A
wilt
B
willen
C
wilte

Slide 30 - Quiz

Nikita en Maria _____ (moeten) tot 5 uur werken.
A
moet
B
moeten
C
moete

Slide 31 - Quiz

U ______ (kunnen) hier even zitten.
A
kunt
B
kan
C
kunnen

Slide 32 - Quiz

Ik wil in het weekend...

Slide 33 - Open question

Ik moet vandaag ...

Slide 34 - Open question

Ik mag om 9 uur ...

Slide 35 - Open question

We kunnen vanmiddag ...

Slide 36 - Open question

Slide 37 - Slide