Thema 6: Farmacologie en dringende medische hulpverlening
Hoofdstuk 4: geneesmiddelen in verband met bloed en stolling
07/09/2026
Sofie Jaspaert
Thema 6: Farmacologie en dringende medische hulpverlening
Hoofdstuk 4: geneesmiddelen in verband met bloed en stolling
07/09/2026
Sofie Jaspaert
This item has no instructions
Herhaling
In de vorige les zagen we:
Geneesmiddelen bij het hart
Geneesmiddelen bij de bloeddruk
Nu leren we: geneesmiddelen die stolling beïnvloeden
This item has no instructions
Waarom stolt bloed?
Om bloeden te stoppen
Om zuurstof te maken
Om hartslag te verhogen
Om bloeden te stoppen
Waarom is stolling belangrijk?
Als een bloedvat beschadigd is:
Het lichaam stopt het bloeden
Er ontstaat een bloedklonter
Maar: Te veel stolling kan een trombose geven!
This item has no instructions
4.1 Normaal stollingsproces
Vasoconstrictie van het bloedvat thv de beschadiging, minder circulerend volume
Bloedplaatjesadhesie: trombocyten en collageen hechten zich aan elkaar
Bloedplaatjesaggregatie: de eerste trombocyten activeren de volgende=> de geactiveerde trombocyten hechten = aggregeren (= samenklontere
This item has no instructions
4.1 Normaal stollingsproces
Normale bloedstelling (= fibrinevorming): wanneer weefselschade komt er tissue factor vrij => activeert tal van stollingsfactoren in het bloed
in het intrinsieke pad = stollingsfactoren altijd aanwezig in plasma, trombocyten bevatten tromboplastine
in het extrensieke pad = stollingsfactoren aanwezig in weefsel en komen enkel vrij bij beschadigingide tekst
==> beide paden leiden tot factor X => geactiveerd tot factor Xa
==> van daaruit wordt protrombine => omgezet in trombine
==> trombine zorgt voor omzetting van fibrinogeen =>fibrine
!! Calcium en Vit K van cruciaal belang in bloedstollingsproces
This item has no instructions
4.1 Normaal stollingsproces
Fibrinolyse: vaatwand is hersteld, fibrinestolsel mag afgebroken worden, zo niet kan de klonter blijven groeien ==> kans op trombose. Het enzym plasmine zorgt ervoor dat de klonter opgelost wordt.
This item has no instructions
4.2 Anti-aggregantia
Effect:
Bloedplaatjes klitten minder samen door acetylsalicylzuur (ASA), minder aggregatie van de bloedplaatjes
Gebruik:
Hartinfarct
Stent
Preventie: arteriële trombose
! Plavix = anti-aggregantia maar geen ASA, bij coronaire problemen of na plaatsen van een stent, gebruik omwille van contra-indicaties ASA
Clopidogrel = geen acetylsalisylzuur maar wel bij de thiënopyridines.
Vaak indien contra indicatie voor acetylsalisylzuur. Vaak bij coronaire problemen of bij plaatsing van eens stent.
4.3 Anticoagulantia
Effect:
Remmen de stollingsfactoren:
Voorbeelden:
Heparine en heparinefracties
Vit K antagonisten
DOAC's
This item has no instructions
4.3 Anticoagulantia - Heparine
Effect:
Remt de vorming van het fibrinenetwerk (stap 4)
Gebruik:
Acute arteriële trombose
Longembolie en veneuze trombose
Hepariniseren katheters
Aandachtspunt:
!! Observeren op bloedingen (melena, hematurie, hematemesis). Een bloeding zal leiden tot tachycardie, hypotensie en een snelle AH.
This item has no instructions
4.3 Anticoagulantia - Heparine
HIT:
Heparine Geïnduceerde trombocytopenie
Toedienen van heparine:
Activatie en aggregatie van trombocyten ==> levensbedreigende veneuze of arteriële trombose
Dus: heparineverbod!
Toch nood aan antistolling: VIT K antagonist
This item has no instructions
Een patiënt kreeg een stent in het hart. Waarom krijgt deze patiënt Asaflow?
Om bloedklonters te voorkomen.
4.3 Anticoagulantia - Heparinefracties (LMWH- Heparines
Heparinefracties:
Afgeleiden van heparine maar zelfde effect
Low Moleculair Weight Heparine
Welke klacht kan wijzen op een bloeding?
Zwarte stoelgang
Droge mond
Jeuk
Droge huid
This item has no instructions
4.3 Anticoagulantia - VIT K antagonist
Coumarinederivaten:
Remmen de VIT K gebonden stollingsfactoren
Aandachtspunten:
Bloedcontrole nodig:
INR
interactie andere medicatie
vb NSAID's
Gebruik
preventie trombose en longembolie bij risico ZV
acute fase vaak samen met heparine of heparinefracties
De test kijkt naar de tijd die het bloed nodig heeft om een korstje (stolsel) te vormen.
INR 1.0: Dit is de waarde van een gezond persoon die geen antistollingsmiddelen gebruikt.
Hogere INR (bijv. 2.5 of 3.0): Het bloed doet er langer over om te stollen. Het bloed is dus "dunner".
Lagere INR: Het bloed stolt sneller, wat de kans op trombose vergroot.
4.3 Anticoagulantia - DOAC's (Directe Orale Anticoagulantie)
Trombine-remmers
Geen nood aan bloedcontroles, snel antistollend effect maar van kortere duur dan Vit K antagonist. Therapietrouw van groot belang om anti-stollend effect te behouden.
This item has no instructions
4.3 Anticoagulantia - DOAC's (Directe Orale Anticoagulantie)
Verpleegkundige aandachtspunten:
steeds toedienen op hetzelfde tijdstip (2u speling)
niet bij zwangerschap
veel wisselwerking met andere medicatie
extra opvolging bij ZV met verminderde nierfunctie en oudere ZV (creatinineklaring)
This item has no instructions
4.3 Anticoagulantia - Verpleegkundige aandachtspunten bij alle bloedverdunnende medicatie:
Melden bij elke chirurgische ingreep
Dienen gestopt te worden bij chirurgische ingreep (meestal 7 dagen op voorhand)
Continu observatie (grote & kleine bloedingen)
GVO
This item has no instructions
Een oudere patiënt neemt Xarelto. Waarom is therapietrouw belangrijk?
Omdat het effect snel verdwijnt
4.4 Trombolytica
Effect:
Lossen bestaande klonters op, bevorderen de vorming van plasmine.
Gebruik:
Longembolie
Veneuze trombose/ beroerte
Het risico en de graad van invaliditeit vermindert drastisch, toediening ten laatste 3u na het onstaan van de symptomen.
Er zijn ernstige exclusiecriteria en informed consent met ZV een voorwaarde !!
This item has no instructions
Een patiënt komt binnen met een beroerte. Welke medicatie dien je snel toe en waarom?
Trombolytica. Om hersenschade te beperken.
Samenvatting
Anti-aggregantia ==> voorkomen klonter
Anticoagulantia ==> remmen stolling
Trombolytica ==> lossen klonter op
This item has no instructions