Recepten
Recepten
Wat eet jij het liefst?
Wat kook jij thuis?
Hoe maak je dat?
Poffertjes maken: Wat heb je nodig?
Het gerecht
Een maaltijd, iets wat je kunt eten.
Ik maak vandaag een nieuw gerecht.
Het recept
Uitleg van hoe jij een gerecht moet maken.
Ik zoek een goed recept voor lasagne.
Het ingrediënt
Eten wat jij nodig hebt om het gerecht te maken.
Het ingrediënt -> de ingrediënten
Ik ga naar de supermarkt om de ingrediënten voor de lasagne te kopen.
Het stappenplan
Een beschrijving waar punt voor punt staat wat je moet doen.
Ik volg het stappenplan om lasagne te maken.
De instructie
de woorden waarmee je vertelt hoe iemand iets kan of moet doen.
De juf geeft instructie aan de leerlingen.
Welke dingen zet je in een recept?
Ingrediënten
Welke kookspullen heb je nodig?
Hoe moet je het doen?
Hoe zit dat er uit?
De stappen van het stappenplan komen onder elkaar!
De gebiedende wijs
Loop naar de deur.
Pak je pen.
Doe je schrift open.
Werkwoord vooraan in de zin.
Werkwoord in de ik-vorm
Gebiedende wijs
Gebruik je als je instructies geeft.
Als je zegt wat iemand moet doen.
In een recept gebruik je ook de gebiedende wijs.
Opdracht
Schrijf zelf een recept voor iets dat jij lekker vind.
Zoek eerst alle ingrediënten op.
Oefen het recept in je schrift.
Schrijf alles dan samen op het werkblad.
Klaar? DISK grammatica les 12