Je wilt met een leerling vak parkeren gaan oefenen. Op dat moment zegt de leerling ''mijn vader heeft mij dit al geleerd, ik kan dit dus al. Wat kan je in deze situatie het beste doen?
A
De leerling in een vak laten parkeren en eventueel aanvullen wat er nog ontbreekt.
B
De leerling een compliment geven voor zijn inzet en beginnen met een nieuw lesonderwerp.
C
De leerling vragen of hij nog meer onderwerpen beheerst. Zodat je als instructeur daarop aangepast met de instructie verder kan gaan.
1 / 56
next
Slide 1: Quiz
RijopleidingBeroepsopleiding
This lesson contains 56 slides, with interactive quizzes.
Lesson duration is: 60 min
Items in this lesson
Je wilt met een leerling vak parkeren gaan oefenen. Op dat moment zegt de leerling ''mijn vader heeft mij dit al geleerd, ik kan dit dus al. Wat kan je in deze situatie het beste doen?
A
De leerling in een vak laten parkeren en eventueel aanvullen wat er nog ontbreekt.
B
De leerling een compliment geven voor zijn inzet en beginnen met een nieuw lesonderwerp.
C
De leerling vragen of hij nog meer onderwerpen beheerst. Zodat je als instructeur daarop aangepast met de instructie verder kan gaan.
Slide 1 - Quiz
Wat staat er in een leergang praktijkles vermeld?
A
De handelingsanalyse.
B
De instructievorderingskaart.
C
Het lesplan voor een praktijkles.
Slide 2 - Quiz
U wilt een goed presterende leerling uitdagen. Wat is de meest logische opbouw?
A
Een open leertaak die de leerling vrijheid geeft voor een eigen aanpak.
B
Een gesloten leertaak met daarin een route die veel conflictsituaties bevat.
C
Een leertaak die deze leerling goed aankan op een geautomatiseerd beheersingsniveau.
Slide 3 - Quiz
Een instructeur vraagt aan het begin van de les of de leerling thuis het onderwerp rotondes heeft door genomen, die hij vandaag gaat behandelen. De leerling heeft dit niet gedaan ,omdat hij ziek was. Hoe kan de instructeur didactisch gezien het beste reageren?
A
Een uitleg geven over het rijden op rotondes en daarna naar een route rijden.
B
Eisen dat hij zich voortaan goed voorbereid en daarna uitleggen over rotondes.
C
Naar een rotonde toe laten rijden en daar uitleg geven over het berijden en vervolgens oefenen.
Slide 4 - Quiz
Een leerling vordert snel in de opleiding en heeft terecht vertrouwen in wat hij kan. De volgende les wil je rijden op de autosnelweg met de rijtaken inhalen, invoegen en uitvoegen. De dag van de les sneeuwt het en is het plaatselijk glad. Wat zal het gevolg voor de leerling zijn als je de les door laat gaan?
A
Hij ervaart wat het is om met slecht weer te rijden.
B
Zijn zelfvertrouwen zal afnemen.
C
Hij zal het autorijden minder leuk gaan vinden.
Slide 5 - Quiz
U gaat met uw leerling voor het eerst de hellingproef oefenen. U geeft daarbij instructies. Wat is nu het best passende lesdoel?
A
De leerling gaat oefenen met het uitvoeren van de hellingproef op een niet al te steile helling.
B
De leerling doet ervaring op met de hellingproef op een geschikte helling.
C
De leerling kan op een niet al te steile helling de hellingproef uitvoeren zonder dat de auto achteruit rolt.
Slide 6 - Quiz
De leerling is al een stuk gevorderd in de opleidingsfase van rijden in CVS . De volgende les wilt u de leerling leren rotondes te berijden. Hoe moet de lesopbouw eruit zien waarbij de leerling voldoende kan oefenen en ook gemotiveerd blijft?
A
U kiest drie rotondes die dicht bij elkaar liggen en oefent daar de hele les.
B
U rijdt een route waarbij u verschillende rotondes tegenkomt, van eenvoudig tot complex.
C
U rijdt een route en stopt aan het einde bij een rotonde om een paar keer te oefenen met het rijden op een rotonde.
Slide 7 - Quiz
Stel dat u met uw leerling in deze situatie rijdt. Uw leerling rijdt te dicht achter de auto voor u. Plotseling remt de bestuurder van de voorste auto en u moet direct op de rem trappen de leerling schrikt er erg van. Wat is didactisch gezien de beste oplossing?
A
U zegt meteen dat is niet slim , je had meteen moeten remmen.
B
U zegt meteen enig idee waarom ik heb moeten remmen?
C
U zegt op dat moment niets en komt later hierop terug.
Slide 8 - Quiz
Een instructeur bereidt thuis een les voor, voor een leerling die net begint met rijden in EVS . De instructeur gebruikt deze situatie een rijbaan met weerskanten rood gemarkeerde fiets suggestie stroken in een 60 km zone. Wat is hier van toepassing?
A
De route is te moeilijk.
B
De route is te makkelijk.
C
De route is juist.
Slide 9 - Quiz
Welk onderdeel gaat u als laatste met uw leerling oefenen.
A
Rotonde.
B
Invoegen.
C
Inhalen.
Slide 10 - Quiz
Een instructeur maakt een strakke lesplanning met daarin verschillende activiteiten. Aangepast per leerling voor wat betreft de snelheid waarmee ze leren. Wat is het meest waarschijnlijke gevolg voor de leerling?
A
De leerling krijgt veel meer leertijd.
B
De leerling leert optimaal.
C
De leerling rijdt beter.
Slide 11 - Quiz
Wat bepaalt in de eerste plaats de keuzes van de didactische werkvormen?
A
De beschikbare tijd.
B
De te behandelen leerstof.
C
De voorkeur van de rijinstructeur.
Slide 12 - Quiz
U wilt in het begin van de rijopleiding het sturen en het gebruik van koppeling- en gaspedaal oefenen. Hoe kunt u hierbij wegversmallingen gebruiken?
A
Laat de leerling vlak voor de versmallingen rechts op de rijbaan stoppen en weer wegrijden.
B
Laat de leerling met een normale snelheid aanrijden en dan het gas minderen.
C
Laat de leerling regelmatig voor de versmallingen rechts op de rijbaan stoppen en weer wegrijden.
Slide 13 - Quiz
Welke van de volgende rijtaken moet u het eerst behandelen in een opleidingsprogramma?
A
Het berijden van enkelvoudige kruispunten.
B
Het kijkgedrag.
C
De technische wijze van wegrijden.
Slide 14 - Quiz
Tijdens de rijles ontdek je dat de leerling niet goed ver kan kijken. Hoe had je dit eerder kunnen vaststellen.
A
De leerling een eigen verklaring in laten vullen
B
De leerling een autokenteken in de verte laten oplezen.
C
Aan de leerling vragen stellen over zijn zichtvermogen.
Slide 15 - Quiz
Je geeft rijles aan een leerling die langzaam leert. Je maakt een programma met kleine leerstapjes. Wat zal het gevolg hiervan zijn?
A
De leerling raakt minder gemotiveerd.
B
De leerling raakt beter gemotiveerd.
C
De leerling voelt zich niet serieus genomen.
Slide 16 - Quiz
Een instructeur maakt aan het einde van zijn lesdag altijd een planning voor de volgende dag. Hij plant ook tijd in om tussen de lessen door zijn leerling-administratie bij te werken, telefoontjes te plegen en te gaan tanken. Wat is het belangrijkste didactische gevolg hiervan ?
A
Er gaat minder leertijd verloren tijdens de lessen.
B
De instructeur kan minder verdienen op die dag.
C
De lesplanning loopt door de war.
Slide 17 - Quiz
Welke beginsituatie van de leerling bepaalt de rijinstructeur tijdens zijn lesvoorbereiding?
A
De vereiste beginsituatie.
B
De feitelijke beginsituatie.
C
De cognitieve beginstructuur.
Slide 18 - Quiz
Een leerling zit in de beginfase van EVS . Je gaat deze leerling een bijzondere manoeuvre aanleren. Wat zal het belangrijkste effect zijn als je veel het zelfde oefent met de leerling in een verkeerssituatie?
A
De leerling raakt verveeld.
B
De leerling automatiseert de taakuitvoering.
C
De leerling kan de taak ook in nieuw situatie toepassen.
Slide 19 - Quiz
Hoe kunt u een negatief faalangstige leerling het best begeleiden?
A
Door de leerling op zijn matige prestaties te wijzen.
B
Door meer leerstof aan te bieden dan gemiddeld.
C
Door de leerling vertrouwen te geven.
Slide 20 - Quiz
Een leerling zit een paar lessen voor zijn praktijkexamen. Hij rijdt over het algemeen goed, maar moet vooral leren zelfstandig te rijden. Wat kunt u het beste doen om de leerling voldoende uit te dagen?
A
U geeft de leerling enkele aanwijzingen hoe hij naar een bepaald punt moet rijden bijvoorbeeld het gemeentehuis.
B
U laat de leerling kiezen waar hij naar toe rijdt en welke route hij daarbij kiest.
C
U laat de leerling naar een door u gekozen oriëntatiepunt toe rijden.
Slide 21 - Quiz
De leerling nadert een scootmobiel en reageert agressief . De instructeur spreekt hem direct hierop aan. Wat probeert de instructeur zo te bereiken?
A
Voorkomen dat de leerling de scootmobiel aanrijdt.
B
Voorkomen dat de leerling vaker agressief gedrag vertoont.
C
Dat de leerling beter leert te anticiperen.
Slide 22 - Quiz
Je hebt een leerling in de fase van voertuig beheersing. Je wilt het stoppen en weer wegrijden gaan oefenen. Welk opdracht is het beste.
A
Maak bij een bepaalde snelheid een noodstop.
B
Stop bij de eerstvolgende lantarenpaal.
C
Stop zo snel mogelijk links van de weg.
Slide 23 - Quiz
Welke fase van de rijopleiding zal bij een gemiddelde leerling de meeste tijd kosten?
A
Complexe verkeerssituaties.
B
Eenvoudige verkeerssituaties.
C
De voertuigbeheersing.
Slide 24 - Quiz
Je rijdt met een leerling in een verkeerssituatie met wegwerkzaamheden. Waar valt deze situatie onder?
A
Doelgericht les geven.
B
Anticiperend rijden.
C
Defensief Rijden.
Slide 25 - Quiz
Je rijdt met een leerling naar een erf. Je geeft hem de volgende opdracht. Laat zien dat je zelfstandig de verkeersregels in een erf kunt toepassen. Dit is een voorbeeld van?
A
Cognitieve doelstelling
B
Psychomotorische doelstelling
C
Affectieve doelstelling
Slide 26 - Quiz
Een instructeur heeft een leerling die de les van vandaag weer niet heeft voorbereid. Wat kan de instructeur het beste doen?
A
Gewoon doorgaan met een nieuwe les
B
Door vragen stellen en de leerling laten merken dat hij de les had moeten voorbereiden.
C
Teruggaan naar het instructieonderdeel van de vorige les.
Slide 27 - Quiz
De leerling is bijna klaar voor het praktijkexamen, maar op de autosnelweg voegt hij in met het zweet op zijn voorhoofd. In dat geval gaat hij fouten maken. Toch heeft hij meerdere keren laten zien dat hij het wel goed kan als het moeilijk is. Wat is de belangrijkste oorzaak van die fouten?
A
De leerling ziet niet wat hij fout doet bij het invoegen.
B
De leerling moet het invoegen meer automatiseren.
C
De leerling heeft een gebrek aan zelfvertrouwen.
Slide 28 - Quiz
Een instructeur geeft opdrachten die net iets moeilijker zijn dan de leerling aankan. Hoe noemen wij dit?
A
Lesgeven in de zone van de naaste ontwikkeling.
B
Lesgeven door middel van begeleid zelfstandig leren.
C
Op de leerstijl van de leerling aangepast lesgeven.
Slide 29 - Quiz
Uw leerling zit in de fase van EVS. Leerling overziet verkeerssituaties nog niet goed en maakt daarbij veel fouten. Je plant een route met veel verkeer. Wat zal het gevolg zijn.
A
De leerling raakt mentaal overbelast.
B
De leerling doet een succeservaring op.
C
Het leertempo van de leerling stijgt.
Slide 30 - Quiz
De instructeur wilt een leerling aanleren hoe hij recht achteruitrijden langs de trottoirband goed moet uitvoeren. Wat kan hij het beste doen?
A
Minimaal twee maal direct achter elkaar op dezelfde plaats oefenen.
B
Op twee verschillende plaatsen een keer laten oefenen.
C
Een keer oefenen op een plaats en de volgende les opnieuw.
Slide 31 - Quiz
U wilt met uw leerling het afslaan op kruispunten oefenen. Welke van de onderstaande onderdelen moet u aan de leerling uitleggen?
A
Manier van terugschakelen.
B
Stuurtechniek.
C
Voorsorteren.
Slide 32 - Quiz
De instructeur is net op een parkeerplaats aan het vertellen waar de les over zal gaan en op dat moment wordt hij gebeld. Hij herkent het nummer van de rijschool. De rijschool belt alleen als er wijzigingen zijn in de planning. Wat is praktisch gezien de beste handeling?
A
De telefoon wegdrukken en later terugbellen
B
Opnemen en de medewerker van de rijschool te woord staan.
C
De telefoon niet opnemen.
Slide 33 - Quiz
De instructeur rijd met een leerling die net heeft geleerd om zelfstandig te koppelen, schakelen en te sturen . Hij wist niet dat er wegwerkzaamheden zijn. Wat is didactisch gezien de meest optimale handeling in deze situatie ?
A
De leerling extra ondersteunen bij het verder gaan.
B
De leerling de hardop-denkmethode laten toepassen.
C
De leerling op zijn gemak stellen.
Slide 34 - Quiz
Een instructeur rijdt in een situatie met zijn leerling, in de fase van rijden in CVS . De leerling let niet goed op zijn volgafstand, waardoor hij onnodige fouten maakt. De instructeur weet dat de leerling voldoende zelfvertrouwen heeft. Wat is het meest passende commentaar om de aandacht van de leerling op de verkeerssituatie te richten?
A
U zegt dat is een grote fout, hierop zak je zeker op het examen
B
Demonstratief hard op de rem trappen.
C
U zegt " let op, vooruitkijken, dan hou je ruimte om tot stilstand te komen.
Slide 35 - Quiz
Welke volgorde van onderstaande instructieonderdelen is bij een gemiddelde leerling het meest logisch?
A
Bocht achteruitrijden, kruispunten, achteruit parkeren in een parkeervak.
B
Tegenkomen, volgafstand, positie
C
Hellingproef, achteruit parkeren in een parkeervak tussen lege parkeervakken, achteruit parkeren in een inrit.
Slide 36 - Quiz
De fase van voertuigbediening en voertuigbeheersing is afgesloten. De leerling kan het voertuig zelfstandig bedienen en je plant nu enkele vervolglessen. Welk lesonderwerp moet als laatste in de opleiding aan de orde komen?
A
Wegrijden en stoppen.
B
Inhalen.
C
Het berijden van kruispunten.
Slide 37 - Quiz
Hoe houdt u bij de lesvoorbereiding, rekening met een leerling die graag zelf verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen leren?
A
U biedt de leerling de lesstof in zijn geheel aan.
B
U daagt de leerling uit door complexe opdrachten te geven.
C
U laat de leerling zelf bepalen wat u in de les gaat behandelen.
Slide 38 - Quiz
Wat is het doel van een lesplan.
A
Om het begingedrag van de leerling vast te stellen.
B
Om niet chaotisch les te geven.
C
Om de vorderingen goed vast te kunnen stellen.
Slide 39 - Quiz
Je geeft aan een gevorderde leerling les. Deze leerling pakt alles snel op. Je rijdt vervolgens de autosnelweg op en merkt dat de leerling nerveus wordt als hij de snelweg oprijdt. Hoe kan je didactisch het beste handelen in deze situatie.
A
Je zegt niets.
B
Je begeleidt de leerling volledig.
C
Je bespreekt zijn nervositeit als iets normaals.
Slide 40 - Quiz
Je bent een lesplan aan het voorbereiden. Wat moet je als eerste bepalen.
A
De beginsituatie.
B
De doelstelling.
C
De evaluatie.
Slide 41 - Quiz
Wat wordt er bedoeld met leeractiviteiten
A
Wanneer de leerling de leerstof eigen maakt.
B
Wanneer de instructeur de leerling in aanraking brengt met de leerstof.
C
Wanneer de instructeur en de leerlingen werken aan het bereiken van de leerdoelen.
Slide 42 - Quiz
Een leerling wil na het lessen de auto verlaten maar vraagt op dat moment aan de rijinstructeur, waarvoor het nodig was om het zojuist behandelde onderdeel aan te leren. Wat heeft de rijinstructeur tijdens de les nagelaten.
A
De feitelijke beginsituatie vast te stellen.
B
Geen praktijk gerichte motivatie gegeven.
C
Doelstelling niet bekend gemaakt.
Slide 43 - Quiz
Wat is de juiste volgorde van de taken van een rijinstructeur bij het aanleren van een onderdeel.
A
Motivator, demonstrator, mentor en corrector.
B
Motivator, demonstrator, corrector en mentor.
C
Demonstrator, motivator, mentor en corrector.
Slide 44 - Quiz
Wat moet een rijinstructeur tijdens de les zeker niet overslaan.
A
Controle aanvangsniveau.
B
Eindmeting.
C
Samenvatting van de hele les.
Slide 45 - Quiz
Wat moet de rijinstructeur niet doen bij een oudere leerling.
A
Totaal instructie geven.
B
Feedback geven.
C
Stap voor stap instructie toepassen.
Slide 46 - Quiz
Wat zijn de administratieve gegevens op een instructiekaart.
A
Naam, telefoonnummer, adres.
B
Leerresultaten van de leerling.
C
Vorderingen van de leerling.
Slide 47 - Quiz
De rijinstructeur houdt een intest. Wat houdt dat in.
A
Vaststellen van de feitelijke beginsituatie van de leerling.
B
Einde opleiding wordt vastgesteld of de leerling examen kan afleggen.
C
Vaststellen hoeveel lessen een leerling exact nodig heeft.
Slide 48 - Quiz
Wat moet u evalueren.
A
Het instructieproces.
B
Of de doelstelling is bereikt.
C
De wijze waarop de doelstelling is bereikt.
Slide 49 - Quiz
Tijdens de uitvoering van een handeling maakt de leerling een fout. De rijinstructeur laat de fout maken en corrigeert de leerling verder niet. De leerling moet zijn fout zelf opsporen en corrigeren. In welke fase bevindt deze les zich.
A
In de instructiefase.
B
In de mentorfase.
C
In de correctorfase
Slide 50 - Quiz
Welke van de onderstaande instructieonderdelen staan didactisch gezien in de juiste volgorde.
A
Positie, inhalen en tegenkomen
B
Rechtachteruit, bochtachteruit rijden en achteruit parkeren in een vak.
C
Oversteken van kruispunten, links afslaan en rechts afslaan
Slide 51 - Quiz
Wat moet de rijinstructeur doen als het blijkt dat de leerling niet meer beschikt over de noodzakelijke kennis.
A
Hij gaat door met een nieuwe leerstof, zoals afgesproken met de leerling.
B
Hij zorgt ervoor dat de leerling op het vereiste niveau komt alvorens door te gaan met een nieuwe les.
C
Hij gaat door met de nieuwe les om teleurstelling te voorkomen bij de leerling.
Slide 52 - Quiz
In welke fase van een lesplan wordt de doelstelling bekend gemaakt.
A
Inleiding.
B
Kern.
C
Afsluiting.
Slide 53 - Quiz
In welke fase van een lesplan wordt de handeling aangeleerd.
A
Inleiding.
B
Kern.
C
Afsluiting.
Slide 54 - Quiz
Waarom laat een rijinstructeur de hard op denk methode toepassen.
A
De instructeur hoort wat de leerling aan het doen is.
B
De instructeur krijgt een indicatie waarmee de leerling zich bezig houdt tijdens de uitvoering.
C
De instructeur kan goed horen of de leerling de handelingsanalyse goed beheerst.
Slide 55 - Quiz
Wat doet de instructeur voor dat hij het les doel bekend maakt?
A
Begin situatie vaststellen en het aanvangsniveau bepalen.
B
Beginsituatie vaststellen en de leerstof motiveren.