Engels oefenen: present simple, vraagwoorden en voornaamwoorden

Engels oefenen: present simple, vraagwoorden en voornaamwoorden

1 / 18
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEngelsSpeciaal OnderwijsLeerroute 1

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Engels oefenen: present simple, vraagwoorden en voornaamwoorden

Wat weet je al over de present simple en Engelse vraagwoorden?

Goals of this lesson

By the end of this lesson, you know how to make a present simple.

You know what question words are and which ones exist.

You know which personal pronouns there are.

Wat is de present simple?

Gebruik

We gebruiken de present simple voor feiten, gewoonten en regelmaat. Bijvoorbeeld: I play football.

Vorm

Bij he/she/it komt er -s achter het werkwoord: He eats. Bij andere personen: geen -s: You eat.

Oefen: maak de zin af

Vul het werkwoord in de juiste vorm in: 1. He ___ (to walk) to school. 2. They ___ (to love) music. 3. She ___ (to read) a book.

Wanneer gebruik je de present simple?

Voor dagelijkse routines, gewoonten of feitelijke zaken. Bijvoorbeeld: She drinks tea every morning.

Engelse persoonlijke voornaamwoorden

Onderwerp

I, you, he, she, it, we, you, they

Voorbeeldzin

She likes music. We drink water. They play games.

Oefen: Kies het juiste voornaamwoord

1. ___ like pizza. (He/They) 2. ___ reads a book. (I/She) 3. ___ play football. (We/He) Schrijf het juiste woord op.

Wat zijn Engelse vraagwoorden?

Overzicht vraagwoorden

Why – waarom When – wanneer How – hoe

Waarom, wanneer, hoe

Wie, wat, waar

Who – wie What – wat Where – waar

Oefen: Kies het juiste vraagwoord

1. ___ is your name? (Who/What) 2. ___ do you live? (Where/Why) 3. ___ are you sad? (Why/When) Noteer het juiste vraagwoord.

Zinnen maken: present simple

She plays the piano.

Positieve zin

Negatieve zin

He does not (doesn't) like math.

Vragen maken met de present simple

Extra voorbeelden

Vraagwoord + do/does + onderwerp + hele werkwoord. Voorbeeld: Where does he live?

Hoe maak je een vraag?

Do you play football? What do they eat?

Oefen: Maak vragen

Zet de woorden in de juiste volgorde: 1. she / live / does / where 2. you / do / like / music 3. they / do / eat / what Schrijf de correcte vraag op.

Reflectie: wat heb je geleerd?

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.