klas 1 Schooltaalwoorden 25-26 deel 1

Deel 1:  16 woorden
1 / 21
next
Slide 1: Slide
TaalSpellingMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 1

This lesson contains 21 slides, with text slides.

Items in this lesson

Deel 1:  16 woorden

Slide 1 - Slide

Het Lesdoel van vandaag:

  • ik ken de betekenis van 16 woorden;
  • ik kan deze woorden ook juist in zinnen toepassen

Schooltaalwoorden deel 1

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

  • Wat iets laat gebeuren, de reden dat iets begint.
  • De regen was de oorzaak van de overstroming.
1. de oorzaak

Slide 4 - Slide

  • Wat er daarna gebeurt door iets anders.
  • De overstroming had als gevolg dat huizen
    onder water liepen.
2. het gevolg

Slide 5 - Slide

  • Overeenkomsten en verschillen van iets bekijken..
  • We vergelijken een appel met een peer: allebei fruit, maar anders van smaak.
3. vergelijken

Slide 6 - Slide

  • De taak of het doel van iets.
  • De functie van een pen is om mee te schrijven.
4. de functie

Slide 7 - Slide

  • Uitleggen waarom iets zo is.
  • Kun jij verklaren waarom je te laat bent?
5. verklaren

Slide 8 - Slide

  • Iets dat je gebruikt om een doel te bereiken.
  • Een fiets is een middel om naar school te gaan?
6. Middel

Slide 9 - Slide

  • Wat je wilt bereiken.
  • Mijn doel is een voldoende
    halen voor dit proefwerk!
7. Doel

Slide 10 - Slide

  • Een onderdeel dat invloed heeft op een situatie.
  • Een belangrijke factor
    bij sporten is motivatie.
8. Factor

Slide 11 - Slide

  • De relatie tussen twee dingen.
  •  Er is een verband tussen hard
    leren en goede cijfers.
9. Het verband

Slide 12 - Slide

  • Met woorden uitleggen hoe iets eruitziet of gebeurt.
  • Beschrijf hoe jouw
    slaapkamer eruitziet.
10. Beschrijven

Slide 13 - Slide

  • Als iets of iemand iets
    verandert.

  • De leraar heeft veel
    invloed op hoe goed
    je leert.
11. De invloed

Slide 14 - Slide

  • Het belangrijkste dat je kunt zeggen nadat je alles hebt bekeken.

  • De conclusie is dat meer oefenen helpt om beter te worden..
12. De conclusie

Slide 15 - Slide

  • De directe reden waarom iets gebeurt..

  • De aanleiding voor
    het feestje was haar
    behaalde diploma.
13. De aanleiding

Slide 16 - Slide

  • Iets opschrijven.

  • Noteren jullie het
    huiswerk in je agenda?
14. Noteren

Slide 17 - Slide

  • Precies opschrijven of zeggen wat iemand anders heeft geschreven of gezegd.

  • In je werkstuk moet je de schrijver letterlijk citeren.
15. Citeren

Slide 18 - Slide

  • Heel precies en netjes, met aandacht.

  • Schrijf zorgvuldig, zodat je geen fouten maakt.
16. Zorgvuldig

Slide 19 - Slide

Het Lesdoel was vandaag:

  • ik ken de betekenis van 16 woorden;
  • ik kan deze woorden ook juist in zinnen toepassen

Is het lesdoel bereikt?
Noteer in je agenda: TOETS xx-xx-xx

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide