afkortingen

Afkortingen.
1 / 20
next
Slide 1: Slide
SpellingBasisschoolGroep 7,8

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Afkortingen.

Slide 1 - Slide

Wat weten jullie al over afkortingen?

Slide 2 - Open question

Afkortingen zijn...

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Weet iemand nog een afkorting die niet in het filmpje zat?

Slide 5 - Open question

Wat betekent sr?
A
serieus
B
sorry
C
senior

Slide 6 - Quiz

Waarvoor gebruiken we afkortingen?
A
om minder papier te gebruiken voor het milieu
B
om teksten overzichtelijker te maken
C
om het sneller af te hebben als je het druk hebt
D
om minder te hoeven schrijven

Slide 7 - Quiz

Wat betekend NL?
A
Nederlaag
B
Nederland
C
Niet logisch
D
niets liever

Slide 8 - Quiz

Wat betekent t.o.v?
A
ter over van
B
toveren
C
tovernaar
D
ten op zichten van

Slide 9 - Quiz

Gebruik jij weleens afkortingen?
A
ja
B
nee
C
soms
D
vaak

Slide 10 - Quiz

Welke afkortingen gebruik jij weleens?

Slide 11 - Open question

Wat betekent p.s?
A
persoon
B
poster
C
postbezorger
D
postscriptum

Slide 12 - Quiz

Wat betekent jr?
A
junior
B
juridische rondleiding
C
D
jeroen rent

Slide 13 - Quiz

Er zijn ook afkortingen van maanden.

Slide 14 - Slide

Als je een maand moet afkorten moet je...

Slide 15 - Slide

probeer alle maanden aftekorten

Slide 16 - Open question

hoe vaak hebben we ongeveer tot nu toe afkortingen gezegd

Slide 17 - Open question

welke afkortingen hebben
jullie geleerd?

Slide 18 - Mind map

zijn er nog vragen,tips of tops?

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide