Examentraining 2 HAVO

1 / 41
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 100 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Examentraining 2 HAVO

Slide 2 - Slide

Programm 14. April
  • Veel voorkomende woorden
  • Meerkeuzevragen
  • Signaalwoorden
  • Tips

Slide 3 - Slide

Woordenschat - üben

Slide 4 - Slide


Übersetze:
die Ausbildung
A
het studieadvies
B
het lokaal
C
de opvoeding
D
de opleiding

Slide 5 - Quiz


Weil ich so gute Noten habe, habe ich ein ... bekommen.
A
Fehler
B
Stipendium
C
Zeugnis
D
Semester

Slide 6 - Quiz


Gegen Corona gibt es schon lange eine ... .
A
Impfung
B
Nerv
C
Nebenwirkung
D
Ausdauer

Slide 7 - Quiz


Welches Wort ist das Gegenwort zu:
seelisch
A
behindert
B
süchtig
C
nahrhaft
D
körperlich

Slide 8 - Quiz


Welches Wort passt zu:
die Vergangenheit
A
die Menge
B
die Gegenwart
C
die Lage
D
die Entfernung

Slide 9 - Quiz

Wat wil Cito weten ?
1. De grote lijn:
       Snap je wat er staat. Heb je ongeveer een idee wat er van
       alinea tot alinea gebeurt. (Levert 5,5/6 op)
2. Signaalwoorden.
       Je moet ze zien in de tekst dus leren. Analyse: wat voor een           soort woord is het?
       Bijvoorbeeld: maar = tegenstelling

Slide 10 - Slide

Vraagsoorten
  • Meerkeuzevragen --> behandelen we vandaag


  • Open vragen --> behandelen we bij training 3

Slide 11 - Slide

Meerkeuzevragen
3 opties:
1. Tekst(on)afhankelijke vragen> vragen die specifiek gaan over onderwerpen die kenmerkend zijn voor een bepaalde tekst.

2. Gaten- en beweringsvragen> woorden zijn weggelaten / juist of onjuist van beweringen/stellingen aangeven

3. Meningsvragen> gaan over de toon of de bedoeling van de auteur.
(Deze soort vraag komt niet vaak voor)


Slide 12 - Slide

1. Tekst(on)afhankelijke meerkeuzevragen
  1. Titel, plaatje, intro -> grote lijn
  2. Lees de vraag (en eventueel de antwoordmogelijkheden) --> streep in de tekst aan om welke alinea/zin het gaat.
  3. Vertaal de vraag.
  4. Waar in de tekst moet ik lezen?
  5. Tekst(gedeelte) lezen + signaalwoorden markeren
  6. Antwoord formuleren.
  7. Antwoord kiezen (streep de 2 "pindakaas-antwoorden" weg) + controleren!
Examen 2019-II: Vraag 1, 14, 16

Slide 13 - Slide

Voorbeeld tekstafhankelijke meerkeuzevraag
timer
3:00

Slide 14 - Slide

Voorbeeld tekstafhankelijke meerkeuzevraag

Slide 15 - Slide

2. Gaten- en beweringsvragen
Gatenvraag
-Woorden zijn weggelaten
-Meerkeuze: welk woord past het beste op de plek van het gat?
-Moeilijk
-Let op zinsverloop: hoe verhouden zinnen voor en na het gat zich
-Lees altijd het stukje tekst na het gat!

Slide 16 - Slide

Gatenvraag
(ontbrekende woorden)
  1. Lees eerst de vraag + antwoordopties
  2. Welke woordsoort?
  3. Antwoordopties vertalen. (noteer deze)
  4. Twee zinnen voor + na de open plek lezen. (hele tekst of alinea lezen is niet nodig)
  5. Check of je signaalwoorden ziet? (bijv. ''maar'' geeft tegenstelling aan) Pos/neg?
  6. Antwoord formuleren.
  7. Antwoord kiezen.
    (tegenstellingen - worden er twee uitersten genoemd dan is meestal 1 van beide het goede antwoord)
  8. Gokken op grote lijn
Examen 2019-II: Vraag 17

Slide 17 - Slide

voorbeeld gatentekstvraag
timer
3:00

Slide 18 - Slide

voorbeeld gatentekstvraag

Slide 19 - Slide

Gatenvraag over signaalwoord
(ontbrekende woorden)
Herkennen: vragen waar de antwoorden uit 4 signaalwoorden bestaan.  
  1. Staat het antwoord voor voorbeeld erbij?  Zo ja, is het een voorbeeld?  (etwa, so, zum Beispiel)
  2. Is het een tegenstelling? (Tip: meestal te controleren met positief / negatief)
  3. Met tip 1 en 2 nog geen antwoord? -> vertaal ongeveer de zinnen en zet de signaalwoorden ertussen. Logisch?  
  4. Tip: Een uitbreiding is ook niet zo moeilijk te herkennen
Examen 2019-II: Vraag 13, 21

Slide 20 - Slide

timer
3:00

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

examentips gatenvragen
  • Je antwoord/aanwijzing vind je rondom het gat. ( zin ervoor/zin erna).
  • Kun je de antwoorden indelen in +/_                         toon tekst
  • Goktip: Als 2 van de invulopties tegenstellingen van elkaar zijn, is het vaak 1 van deze 2.

Slide 24 - Slide

 Beweringsvragen--> wel/niet-vragen
Herkennen? -> antwoordopties zijn genummerd
  1. Lees eerst de vraag en de beweringen. + streep zoektermen aan
  2. Markeer het deel van de tekst waar je moet lezen.
  3. Bij signaalwoorden staan vaak antwoorden.
  4. Zoek naar de Duitse synoniemen in het tekstdeel.
  5. Zet een + of - in het tekstdeel bij de stellingen.
  6. Als het niet in de tekst staat is het onjuist.
  7. Controleer antwoord --> kloppen alle elementen?

Tips op volgende dia
               

Slide 25 - Slide

 Beweringsvragen
Tips:
- Geen zoekterm? Zoek op het woord dat jij zou herkennen.
- Bij signaalwoorden staan antwoorden
- Slim gokken: staan er woorden die beweringen fout maken? + Past het in de grote lijn?
Examen 2019-II: Vraag 28
Slimme zoektermen
Namen, plaatsen
Alles wat je in een cijfer kunt uitdrukken en tijdsaanduidingen
'internationale' woorden

Slide 26 - Slide

voorbeeld beweringsvragen
timer
3:00

Slide 27 - Slide

voorbeeld beweringsvragen

Slide 28 - Slide

3. Meningsvragen
Je moet tekstgedeeltes interpreteren --> letten op: 
-bijvoeglijk naamwoorden 
-figuurlijk taalgebruik
--> deze woorden onderstrepen in de tekst

(deze vragen komen niet vaak voor op het examen)

Slide 29 - Slide

Üben! - Meningsvraag
Ich klick mich schick
Ja, natürlich, es kann viel schief gehen. Irgendein böser Computerhacker könnte die Kreditkartennummer kopieren. Oder, noch schlimmer, die Konfektionsgröße (1).
Trotzdem wird Online-Shopping immer alltäglicher. Nach Büchern, CDs und Flugtickets kaufen die Deutschen mittlerweile auch ihre Kleidung im Netz.
(1) Kledingmaat

Was bringt der Verfasser in diesem Absatz zum Ausdruck?
A Angst
B Begeisterung
C Spott



timer
3:00

Slide 30 - Slide

Antwort 3: C

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Slide

Signalwörter & Funktionen
Nederlands

Slide 33 - Slide

Wähle die richtige Funktion:
denn
A
opsomming
B
reden
C
tegenstelling
D
uitbreiding

Slide 34 - Quiz

Wähle die richtige Funktion:
jedoch
A
opsomming
B
reden
C
tegenstelling
D
uitbreiding

Slide 35 - Quiz

Wähle die richtige Funktion:
zweitens
A
opsomming
B
reden
C
tegenstelling
D
uitbreiding

Slide 36 - Quiz

Wähle die richtige Funktion:
obwohl
A
opsomming
B
reden
C
tegenstelling
D
uitbreiding

Slide 37 - Quiz

Wähle die richtige Funktion:
zuletzt
A
Illustrieren
B
Steigerung
C
Reihenfolge
D
Folge

Slide 38 - Quiz

Was ist der Funktion von die Signalwort "sogar"?
A
uitbreiding
B
vergelijking
C
tegenstelling
D
versterking

Slide 39 - Quiz

Tips
1. Bij meerkeuzevragen vallen vaak 2 antwoorden af en blijven 2 antwoorden over --> gebruik dan woordenboek + gedetailleerd lezen. Niet interpreteren!

2. Wat betreft woordenboekgebruik: zorg dat je de vraag snapt! Zoek dus onbekende woorden in de vraag op. Als je al niet weet wat de vraag betekent, wordt het wel heel moeilijk om het juiste antwoord te geven.

3. Lees de voetnoten goed. Hierin staat vaak een uitleg of vertaling van een woord. Dit doen de examenmakers als ze het belangrijk vinden dat jij dit woord begrijpt of als je het niet in een woordenboek kunt vinden. Lees de voetnoten dus bewust!

Slide 40 - Slide

Programm 17. April
  • Veel voorkomende woorden
  • Open vragen
  • Signaalwoorden en functies
  • Oefenen
  • Tips

Slide 41 - Slide