Duitse modale werkwoorden: wollen, sollen, müssen, dürfen, mögen, können und wissen
Duitse modale werkwoorden: wollen, sollen, müssen, dürfen, mögen, können und wissen
Leerdoel
Aan het einde van deze les kun je de werkwoorden wollen, sollen, müssen, dürfen, mögen, können en wissen vervoegen en gebruiken in eenvoudige zinnen.
Wat zijn modale werkwoorden?
Modale werkwoorden veranderen de betekenis van het hoofdwerkwoord. Ze geven bijvoorbeeld toestemming, moeten of willen aan.
Wanneer gebruik je sollen en müssen?
müssen betekent er valt nu eenmaal niets aan te doen, het moet nu eenmaal.
sollen betekent dat je iets moet doen, een ander legt het op, bevel, dwang, op advies van iemand anders.
müssen
sollen
Hoe gebruik je dürfen en mögen?
Dürfen betekent mogen of toestemming hebben om iets te doen.
Mögen
Mögen betekent houden van, lusten of aardig vinden.
Dürfen
En dan heb je nog können, wollen en wissen
können betekent in staat zijn of bij machte zijn, beheersen, kunnen.
können
wollen betekent willen (je staat erop dat...).
wollen
wissen
wissen betekent weten.
Voorbeeldzinnen
Er soll lernen. – Hij moet leren.
Ich muß pinkeln. – Ik moet plassen.
Wir dürfen rausgehen. – Wij mogen naar buiten.
Sie mögen Pizza. – Zij lusten pizza.
Ihr könnt gehen. - Jullie kunnen gaan.
Sie wissen das. - U weet dat.
Du willst das Buch. - Jij wilt het boek.
Oefening: vul in
Vul het juiste werkwoord in: 1. Ich ___ ins Kino gehen. (will) 2. Wir ___ nicht laut sein. (dürfen) 3. Du ___ mehr Gemüse essen. (sollen) 4. Sie ___ Schokolade. (mögen)
Reflectie: waar moet je op letten?
Let goed op wie het onderwerp is, want dat bepaalt de vorm van het werkwoord. Kun je alle vier de werkwoorden herkennen in zinnen?
Jullie moeten naar school gaan
Ihr müßt zur Schule
Sie müssen zur Schule
Ihr sollt zur Schule
Du mußt zur Schule
Zij mogen winkelen
Sie wollen einkaufen
Sie können einkaufen
Sie mögen einkaufen
Sie dürfen einkaufen
Zij vindt taart lekker
Sie darf Kuchen
Sie mag Kuchen
Sie will Kuchen
Sie darf Kuchen
Du darfst eine Praline nehmen
Jij durft een bonbon te nemen
Je kan een bonbon pakken
Jij wilt een bonbon nemen
Je mag een bonbon nemen
Schrijf op wat je deze les hebt geleerd.