Theorie v/d Rijtaak 06

Je rijdt op de autosnelweg.
In welk geval moet je jouw volgafstand vergroten?
A
Als een voertuig te dicht achter je rijdt.
B
Als een voertuig te ver achter je rijdt.
C
Als een voertuig je wenst in te halen.
1 / 60
next
Slide 1: Quiz
RijopleidingBeroepsopleiding

This lesson contains 60 slides, with interactive quizzes.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Je rijdt op de autosnelweg.
In welk geval moet je jouw volgafstand vergroten?
A
Als een voertuig te dicht achter je rijdt.
B
Als een voertuig te ver achter je rijdt.
C
Als een voertuig je wenst in te halen.

Slide 1 - Quiz

Wat staat in de Rijprocedure als uitgangspunt voor wat betreft het houden van voldoende afstand?
A
De twee seconden regel.
B
De bestuurder moet onder alle omstandigheden een uitwijkmanoeuvre kunnen uitvoeren.
C
Een zodanige afstand dat het wegdek over voldoende lengte kan worden geobserveerd.

Slide 2 - Quiz

Wat kan de bestuurder gebruiken om de volgafstand te bepalen?
A
Lichtmasten.
B
Hectometerpaaltjes.
C
Vangrail.

Slide 3 - Quiz

Je rijdt achter een vrachtauto en voor een personenauto. De personenauto rijdt heel dicht achter je. Waar ga je op letten in die situatie?
A
De volgafstand met het voertuig achter je.
B
De remlichten van de vrachtauto.
C
Dat je waarneembaar bent voor de bestuurder van de vrachtauto.

Slide 4 - Quiz

Je hebt een rijbaan met een flauwe bocht en aan beide kanten suggestiestroken. Wat is hier je plaats op de weg, volgens de rijprocedure?
A
Zoveel mogelijk rechts rijden.
B
Zo min mogelijk suggestie strook gebruiken.
C
Plaats op de weg is reeds geregeld in het RVV.

Slide 5 - Quiz

Je ziet een rijbaan met een bocht naar links en een bocht naar rechts. Je ziet aan de linkerzijde een vangrail.
Aan de rechter kant zie je een aantal lantaarnpalen.
Hoe kan men het verloop van de weg bepalen?
A
De bochten in de weg.
B
Aan de lantaarnpalen.
C
De vangrail.

Slide 6 - Quiz

U rijdt bij mist met een zicht van 100 meter met een snelheid van 60 km/h. Om veilig te kunnen rijden moet je ten minste een afstand tot uw voorganger houden van:
A
60 meter.
B
80 meter.
C
120 meter.

Slide 7 - Quiz

Wanneer moet je volgens de rijprocedure je tussenruimte/-afstand vergroten?
A
Bij voertuigen die met dezelfde snelheid rijden.
B
Als een voertuig met korte volgafstand achter je rijdt.
C
Als een voertuig met grote volgafstand achter je rijdt.

Slide 8 - Quiz

Je rijdt achter een vrachtauto en je merkt dat een auto te dicht achter je komt rijden, dus de volgafstand wordt te klein. Wat moet je doen in deze situatie?
A
De remlichten van de vrachtwagen in de gaten houden.
B
Volgafstand kleinen met de vrachtauto.
C
Je zorgt ervoor dat de vrachtwagenchauffeur jou kan waarnemen.

Slide 9 - Quiz

Je rijdt met een snelheid van 80 km/uur. Er is sprake van mist. Wat moet je volgafstand zijn?
A
40 meter.
B
12 meter.
C
60 meter.

Slide 10 - Quiz

Je remweg is 3 meter bij een snelheid van 25 km/u.
Wat zal je remweg zijn bij een snelheid van 50 km/u?


A
3 meter.
B
6 meter.
C
12 meter.

Slide 11 - Quiz

Je rijdt met een snelheid van 25 km per uur en je reactie afstand is 7 meter.
Je rijdt nu met een snelheid van 50 km per uur. De reactie afstand zal zijn?
A
7 meter.
B
14 meter.
C
28 meter.

Slide 12 - Quiz

De stopafstand wordt bepaald door?
A
Remweg en stopafstand.
B
Remweg en reactietijd.
C
Reactietijd en stopafstand.

Slide 13 - Quiz

Wat neemt kwadratisch toe tijdens het rijden?
A
Stopafstand en remweg.
B
Remweg en middelpuntvliedende kracht.
C
Remweg en reactietijd.

Slide 14 - Quiz

Wat bepaalt de stopafstand van een voertuig?
A
De snelheid waarmee gereden wordt, de reactietijd en de remweg.
B
De snelheid waarmee gereden wordt, de reactietijd en de remvertraging van het voertuig.
C
De weersomstandigheden, de reactietijd en de remvertraging van het voertuig.

Slide 15 - Quiz

Wat is de kijktechniek als je een kruispunt wil oversteken?
A
Binnenspiegel, voor, links, voor, rechts (herhalen zo vaak als nodig).
B
Links, voor, rechts (herhalen zo vaak als nodig).
C
Rechts, voor, links (herhalen zo vaak als nodig).

Slide 16 - Quiz

Je ziet een kruispunt, geregeld door verkeerlichten. Je wilt links afslaan. Het verkeerslicht staat op geel en je bent behoorlijk ver van het verkeerslicht verwijderd. Waar houdt u hier op dit moment verkeersinzichtelijk rekening mee?
A
Bestuurders die door rood licht rijden.
B
De kans dat het licht op rood springt.
C
Tegenliggers die ook groen licht hebben.

Slide 17 - Quiz

Bij het naderen van een kruispunt dient men extra rekening te houden met:
A
Naderingssnelheid.
B
Juiste kijktechniek en bewust waarnemen.
C
De draaicirkel van grote voertuigen.

Slide 18 - Quiz

Met welke snelheid moet de bestuurder een kruispunt naderen?
A
Met aangepaste snelheid.
B
De bestuurder moet zijn snelheid zodanig aanpassen dat andere bestuurders ongehinderd hun weg kunnen vervolgen.
C
De bestuurder moet zijn snelheid zodanig aanpassen dat andere weggebruikers ongehinderd hun weg kunnen vervolgen.

Slide 19 - Quiz

Bij voorrang verlenen spelen 2 factoren een belangrijke rol:
A
Lengte van je voertuig en de breedte de middenberm.
B
Naderingssnelheid en plaats van opstellen.
C
Naderingssnelheid en snelheid van de bestuurder van rechts.

Slide 20 - Quiz

Hoe handelt u op een brede weg wanneer een geparkeerd voertuig aan de rechterzijde u het zicht ontneemt?
A
Doorrijden en vlak achter de bestelauto tot stilstand komen.
B
Ruim van te voren naar links uitwijken aangezien er sprake is van een brede weg.
C
Ruim van te voren naar rechts uitwijken en langs de bestelauto kijken.

Slide 21 - Quiz

Waarom is er in een scherpe bocht bochtverbreding?
A
De benodigde baanbreedte van grotere voertuigen maakt dit noodzakelijk.
B
Door de bochtverbreding is er meer ruimte om wegverkanting toe te passen.
C
Hierdoor kan in de bocht met dezelfde snelheid worden gereden als op de rechte stukken weg.

Slide 22 - Quiz

Waarom heeft de wegbeheerder hier een
zig-zag markering toegepast?
A
Snelheid matigen, polderblindheid.
B
Snelheid matigen, coulissenzicht.
C
Snelheid matigen, onoverzichtelijk kruispunt.

Slide 23 - Quiz

Wanneer is volgens de rijprocedure uw naderingssnelheid van een kruispunt goed?
A
Als u onder alle omstandigheden voorrang kunt verlenen.
B
Als u kunt stoppen met de minimaal voorgeschreven remvertraging.
C
Als u het achteropkomende verkeer niet hindert.

Slide 24 - Quiz

Je ziet 2 kruispunten, een groot en een klein kruispunt.
Op beide kruispunten willen 2 auto's links afslaan.
Hoe dient men te handelen?
A
Klein kruispunt om elkaar heen.
B
Groot kruispunt voor elkaar langs.
C
Klein kruispunt voor elkaar en groot kruispunt om elkaar heen.

Slide 25 - Quiz

Op een kruispunt slaan twee automobilisten linksaf, hoe is het volgens de Rijprocedure geregeld?
A
Bij voorkeur voor elkaar langs.
B
Om elkaar heen.
C
Als het door een onderbroken streep wordt aangegeven, dan voor elkaar langs.

Slide 26 - Quiz

Je nadert een onoverzichtelijk voorrangskruispunt.
Je rijdt op de doorgaande weg.
Hoe handel je in deze situatie?
A
Stoppen voor het kruispunt zodat je het verkeer dat rechts wil afslaan de ruimte geeft.
B
Doorrijden met aangepaste snelheid.
C
De neus van de auto laten zien aan het kruisend verkeer zodat zij je kunnen zien en daarna doorrijden.

Slide 27 - Quiz

Je ziet een volledig kruispunt van gelijke orde.
Aan de rechterzijde zie je een gebouw en het zicht naar rechts wordt ontnomen door dit gebouw. Hoe moet je dit kruispunt naderen?
A
Met dezelfde snelheid.
B
Het naderen van dit kruispunt moet je in de gaten houden.
C
Je dient met aangepaste snelheid te naderen.

Slide 28 - Quiz

Je ziet een kruispunt, welke geregeld is door middel van verkeerslichten. Je hebt een pijl in het verkeerslicht en je slaat rechtsaf. Wat moet je volgens de rijprocedure doen na het afslaan?
A
Meteen aanpassen aan de snelheid van het overige verkeer.
B
Meteen aanpassen aan de snelheid van de overige bestuurders.
C
Meteen je snelheid aanpassen aan de maximumsnelheid.

Slide 29 - Quiz

Je ziet een bocht; wanneer mag je volgens de Rijprocedure de snelheid verhogen?
A
Als de situatie dit toelaat en als de straal van het verloop van de bocht constant is.
B
Als de bocht geheel te overzien is en de situatie dit toelaat.
C
Als er geen tegenliggers zijn.

Slide 30 - Quiz

Je rijdt op de doorgaande rijstrook en wil uitvoegen, hoe doe je dat?
A
Je geeft richting aan en je verplaatst.
B
Scannen, na het viaduct geef je richting, dan verplaats je.
C
Scannen, richting aangeven en vervolgens meteen verplaatsen.

Slide 31 - Quiz

De auto links naast u wil uitvoegen. Hoe kunt u volgens de rijprocedure hier het beste op reageren? Opmerking: auto 2 geeft richting aan naar rechts.
A
De bestuurder die wil uitvoegen voor laten gaan.
B
Versnellen zodat u met aangepaste snelheid kunt invoegen.
C
Zo lang mogelijk rechts blijven rijden, de bestuurder die wil uitvoegen blijft dan achter u.

Slide 32 - Quiz

Je rijdt op de invoegstrook en je bent van plan om de doorgaande rijbaan op te gaan. Op dat moment is er echter geen verkeer. Wat is hier bepaald voor wat betreft je snelheid?
A
Je snelheid moet minimaal voldoen aan de toelatingseis.
B
Je snelheid moet gelijk zijn aan de gebruikelijke snelheid op die weg.
C
Je snelheid moet minimaal gelijk zijn aan de toegewezen maximumsnelheid.

Slide 33 - Quiz

Welke plaatsen op de autosnelweg zijn "file gevoelig" ?
A
Rijbaan met 2 rijstroken.
B
Bruggen en tunnels.
C
In- en uitritten.

Slide 34 - Quiz

Wat is het nadeel van een taperoplossing?
A
De doorgaande rijstrook sluit aan bij een andere rijstrook en de capaciteit wordt minder.
B
De doorgaande rijstrook sluit aan bij de andere rijstrook.
C
Je kan niet meer uitvoegen.

Slide 35 - Quiz

Hoeveel meter van te voren moet je volgens de Rijprocedure richting aangeven als je wilt uitvoegen?
A
500 meter.
B
300 meter.
C
100 meter.

Slide 36 - Quiz

De rechterrijstrook op de autosnelweg is gemarkeerd met een witte doorgetrokken streep en rechts naast deze streep is een gele onderbroken streep aangebracht. Een auto rijdt op de rechterrijstrook en wil hier naar de middelste rijstrook. Is dit toegestaan?
A
Nee, dit is niet toegestaan omdat de links naast u gelegen streep doorgetrokken is.
B
Nee, dit is nooit toegestaan als er gele markeringen zijn aangebracht.
C
Ja, dit is toegestaan.

Slide 37 - Quiz

Wat geeft de Rijprocedure als wenselijk gedrag bij de gecombineerde invoeg- en uitrijstroken?
A
Om beurten voegt een bestuurder in en voegt een bestuurder uit.
B
In- en uitvoegende bestuurders mogen elkaar niet hinderen.
C
Invoegende bestuurders laten uitvoegende bestuurders voor gaan.

Slide 38 - Quiz

Wanneer mag u volgens de Rijprocedure invoegen naar de doorgaande rijbaan van een autosnelweg?
A
Als u uw snelheid zoveel mogelijk hebt aangepast aan het verkeer op de doorgaande rijbaan.
B
Wanneer u aan het einde van de invoegstrook bent, en aan alle verplichtingen hebt voldaan.
C
Zo snel als dat voor u mogelijk is.

Slide 39 - Quiz

U rijdt op de rechterrijstrook en moet naar Utrecht.
Mag u nu nog van rijstrook wisselen?
A
Ja, de rijstrook overschrijden is immers niet berijden van de rijstrook.
B
Ja gezien de afstand die er nog is mag ik nog wisselen.
C
Nee ik mag de rijstrook niet overschrijden.

Slide 40 - Quiz

U verlaat de autosnelweg en rijdt op de afrit. Voor je rijdt een langzaam rijdende tractor en aan je linkerzijde heb je een doorgetrokken streep. Wat zou je het beste kunnen doen in deze situatie?
A
U blijft hoe dan ook achter tractor rijden.
B
Tractor inhalen in verband met de doorstromming.
C
Tractor inhalen als deze met geringe snelheid rijdt.

Slide 41 - Quiz

De elektronische signalering geeft een snelheid aan van 70 en de knipperlichten zijn in werking. Wat verwacht u in deze situatie?
A
Het verkeer blijft met dezelfde snelheid doorrijden.
B
Er wordt gereden met wisselende snelheden.
C
Hier mag je zelf weten wat je doet.

Slide 42 - Quiz

Wat kun je doen in het geval van aquaplaning en je op de rechterrijstrook van een autosnelweg rijdt?
A
Snelheid verminderen en doorrijden op dezelfde rijstrook.
B
Je kiest voor een rijstrook zonder spoorvorming.
C
Je rijdt met dezelfde snelheid door op deze rijstrook.

Slide 43 - Quiz

Voor je op de autosnelweg rijdt en touringcar en op de andere rijstrook rijdt een geel bestelbusje. Wat moet je hier doen om een snellere doorstroming te krijgen?
A
In dezelfde rijstrook blijven.
B
Inhalen en snelheid aanpassen.
C
Uit de dode hoek van de bus blijven.

Slide 44 - Quiz

Wat moet je doen in het kader van de doorstroming?
A
Achter de vrachtauto blijven rijden en dus niet inhalen.
B
De vrachtauto inhalen en volgafstand vergroten.
C
De vrachtauto inhalen en met aangepaste snelheid rijden.

Slide 45 - Quiz

Je rijdt op een rijbaan met 4 rijstroken en je wilt naar de uiterst linker rijstrook gaan. Hoe moet je volgens de Rijprocedure handelen?
A
Je rijdt in een vloeiende lijn naar de linker rijstrook.
B
Je schuift 1 of 2 rijstroken indien mogelijk op en dan vervolgens naar de derde rijstrook.
C
Je schuift strook voor strook op en je rijdt op elke strook een stukje rechtdoor

Slide 46 - Quiz

U wilt invoegen op een autosnelweg. Wat is volgens de Rijprocedure hierbij één van de drie belangrijkste aandachtpunten?
A
De plaats op de rijbaan.
B
Het beschikbare weggedeelte.
C
Een zo groot mogelijke afstand houden.

Slide 47 - Quiz

Op de autosnelweg wil je uitvoegen. Wat is het allerbelangrijkste?
A
Snelheid.
B
Plaats op de weg.
C
Kijktechniek.

Slide 48 - Quiz

Hoe wordt deze beveiliging genoemd?
A
Vangrail.
B
Geleiderail.
C
Rimpelbuis obstakelbeveiliging (RIMOB).

Slide 49 - Quiz

U rijdt op de autosnelweg op de doorgaande rijbaan. Rechts naast u rijdt een bestuurder die in wil voegen en de richtingaanwijzer al aan heeft staan, wat gaat u doen?
A
Ik ga naar links.
B
Ik rijd gewoon door.
C
Ik rem af.

Slide 50 - Quiz

Wat is het doel van toeritdosering bij een autosnelweg?
A
Verminderen van de verkeersintensiteit op drukke opritten.
B
Vlotter laten doorstromen van het verkeer op de hoofdrijbaan.
C
Zorgen voor een veilige volgafstand van invoegend verkeer.

Slide 51 - Quiz

Waarom is hier ter hoogte van de invoegstrook een doorgetrokken streep aangebracht?
A
Dit bevordert de doorstroming van het verkeer.
B
Het verkeer op rijstrook 1 en 2 kan dan zijn snelheid handhaven.
C
De invoegende bestuurder kan sneller gebruikmaken van rijstrook.

Slide 52 - Quiz

Wat is een doelgroepenstrook?
A
Een naast de rijbaan gelegen vluchtstrook die alleen in noodgevallen gebruikt mag worden.
B
Een rijstrook die door matrixborden tijdelijk voor spitsverkeer kan worden opengesteld.
C
Een rijstrook waar bijvoorbeeld alleen vrachtverkeer of openbaar vervoer gebruik van mag maken.

Slide 53 - Quiz

A wil invoegen en B wil uitvoegen. Hoe kunt u in deze situatie volgens de Rijprocedure het beste reageren?
A
De bestuurder die wil uitvoegen voor laten gaan.
B
A versnelt, zodat hij met aangepaste snelheid kan invoegen.
C
A blijft zo lang mogelijk rechts rijden, B blijft achter u.

Slide 54 - Quiz

Wat is de oorzaak van file?
A
Verkeersintensiteit is groter dan wegcapaciteit.
B
Wegcapaciteit is groter dan verkeersintensiteit.
C
Wegcapaciteit is gelijk aan verkeersintensiteit.

Slide 55 - Quiz

Wat zijn, in de juiste volgorde, de belangrijkste handelingen bij in- en uitvoegen?
A
Snelheid, kijkgedrag en gebruik maken van de beschikbare ruimte.
B
Kijkgedrag, snelheid regelen en gebruik maken van de beschikbare ruimte.
C
Gebruik maken van de beschikbare ruimte, snelheid en kijkgedrag.

Slide 56 - Quiz

Je wilt invoegen op de autosnelweg. Wat is het allerbelangrijkste?
A
Eerst snelheid regelen.
B
Zo snel mogelijk invoegen.
C
Doorrijden tot de laatste blokmarkering en dan invoegen.

Slide 57 - Quiz

U verlaat de autosnelweg. Wanneer gaat u snelheid verminderen?
A
Op de doorgaande rijbaan.
B
Op de uitrijstrook.
C
Aan het einde van de uitrijstrook.

Slide 58 - Quiz


De vrachtauto maakt gebruik van:
A
Bufferstrook.
B
Redresseerstrook.
C
Spitsstrook.

Slide 59 - Quiz

Hoe wordt dit verharde gedeelte links van de doorgetrokken lijn genoemd?
A
Bufferstrook.
B
Redresseerstrook.
C
Kantstrook.

Slide 60 - Quiz