Iemand beschrijven

Décrire quelqu'un 
1 / 20
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolMBOSpeciaal Onderwijsvmbo kLeerroute VKLeerjaar 1

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Décrire quelqu'un 

Slide 1 - Slide

Vocabulaire: 

Slide 2 - Slide

Il porte un pantalon
A
zij draagt een broek
B
Hij draagt een broek
C
Hij draagt een shirt
D
Zij draagt een rok

Slide 3 - Quiz

Elle porte une robe
A
zij draagt een jurk
B
zij draagt een rok
C
Hij draagt een vest
D
Hij draagt een broek

Slide 4 - Quiz

Daniel est rigolo
A
Daniel is aardig
B
Daniel is lang
C
Daniel is grappig
D
Daniel is klein

Slide 5 - Quiz

Jim porte des lunnettes
A
Jim draagt een broek
B
Jim heeft een bril
C
Jim draagt een trui
D
Jim draagt een bril

Slide 6 - Quiz

Angelo porte une casquette jaune
A
Angelo heeft een pet
B
Angelo draagt een pet
C
Angelo draagt een geel t-shirt
D
Angelo draagt een gele pet

Slide 7 - Quiz

Wanda porte un t-shirt vert.
A
Wanda draagt een groen shirt
B
Wanda heeft een shirt.
C
Wanda draagt een blauw shirt
D
Wanda draagt een rood shirt

Slide 8 - Quiz

Martijn a les cheveux courts.
A
Martijn heeft een zwarte broek
B
Martijn heeft mooie schoenen
C
Martijn heeft kort haar
D
Martijn heeft donker haar

Slide 9 - Quiz

Sanne a les cheveux longs et noirs.
A
Sanne heeft bruin haar
B
Sanne heeft lang haar
C
Sanne heeft kort haar
D
Sanne heeft lang en zwart haar

Slide 10 - Quiz

Anna porte une jupe rouge
A
Anna draagt een rode broek
B
Anna draagt een rode jurk
C
Anna draagt een rode rok
D
Anna draagt een groene pet

Slide 11 - Quiz

Femke est sportieve
A
Femke sport veel
B
Femke is sportief
C
Femke houdt van sporten

Slide 12 - Quiz

Elle porte un t-shirt

Slide 13 - Open question

Hij draagt een broek

Slide 14 - Open question

Daniel draagt een pet

Slide 15 - Open question

Wanda draagt een groene jurk

Slide 16 - Open question

Martijn draagt zwarte schoenen

Slide 17 - Open question

Jim draagt een witte broek

Slide 18 - Open question

Slide 19 - Slide

À toi! 
Je mag aan de slag met opdracht 8 en 9. 

Ben je klaar? Dan mag je beginnen aan opdracht 10. Dit is een grammatica opdracht, je moet de juiste vervoeging van het werkwoord "hebben" invullen. 

Slide 20 - Slide