4M week 48 les één (online)

1 / 22
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

What are we going to do today?

- Who is here?
- Grammar 8: recap
- Grammar 9
- End of lesson

Slide 2 - Slide

Write me words!
A E T R
K P L O
I M S N
H U D F

Slide 3 - Slide

What did we do the previous lesson?

Slide 4 - Open question

Je hebt inderdaad 'used to' geoefend. Wat weet je hier nog over?

Slide 5 - Open question

Wanneer gebruik je 'used to'?

Slide 6 - Open question

"Used to"
Je gebruikt 'used to' om:

- dat iets in het verleden regelmatig gebeurde (dus een gewoonte was), maar nu niet meer;
- dat iets in het verleden zo was, maar nu niet meer zo is.

In het Nederlands zeggen we 'vroeger'

Slide 7 - Slide

In welke vorm staat het werkwoord dat achter 'used to' komt?
A
Werkwoord + ing
B
Werkwoord + ed
C
Voltooid deelwoord
D
Het hele werkwoord

Slide 8 - Quiz

Used to: hele werkwoord!
I used to know all about the Roman Empire.
You used to tell fantastic historical stories.
He used to play the piano.
She used to be a very honest person.
It used to rain a lot in this area.
We used to walk in the park every Sunday.
They used to work on a project together.

Slide 9 - Slide

Wat zet ik voor 'used to' om een negation te maken?
A
Don't
B
Weren't
C
Didn't
D
Doesn't

Slide 10 - Quiz

Used to - habits in the past: negations
I didn't use to know all about the Roman Empire.
You didn't use to tell fantastic historical stories.
He didn't use to play the piano.
She didn't use to be a very honest person.
It didn't use to rain a lot in this area.
We didn't use to walk in the park every Sunday.
They didn't use to work on a project together.

Slide 11 - Slide

Use to - habits in the past: questions
Did use to know all about the Roman Empire?
Did you use to tell fantastic historical stories?
Did he use to play the piano?
Did she use to be a very honest person?
Did it use to rain a lot in this area?
Did we use to walk in the park every Sunday?
Did they use to work on a project together?

Slide 12 - Slide

We gaan nu door naar het laatste grammatica onderdeel van TH3: 'one and ones'
Heb je het boek bij de hand? Blader naar p.149

Slide 13 - Slide

One and ones
Deze woorden verwijzen naar zelfstandige naamwoorden (mensen, dieren, dingen) in het tweede gedeelte van een zin.

A used car is much cheaper than a new one

Slide 14 - Slide

One and ones
'One' en 'ones' zijn vaak te vinden na:
- Een bijvoeglijk naamwoord (white ones)
- Na 'which' (which ones)
- Na 'this, that, these of those' (these ones)
- Als zelfstandig naamwoord:
"Muffins? I like the ones with chocolate best"

Slide 15 - Slide

One
Ones
Bij een zelfstandig naamwoord in de enkelvoud
Bij een zelfstandig naamwoord in de meervoud
I have to read a book. Which one should I pick?
Do you prefer the black shoes or the red ones?

Slide 16 - Slide

Let's check..

Slide 17 - Slide

Waar gebruik je 'ones and one' voor?

Slide 18 - Open question

Waar zijn de woorden 'one and ones' vaak te vinden?

Slide 19 - Open question

Wat is het verschil tussen 'one' en 'ones'?

Slide 20 - Open question

Wat neem je mee
naar de volgende les?

Slide 21 - Mind map

Slide 22 - Slide