Rekenen met Molariteit

H4 - Zouten en Zoutoplossingen
1 / 48
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

H4 - Zouten en Zoutoplossingen

Slide 1 - Slide

H4 - Zouten en Zoutoplossingen
Belangrijke paragrafen:
  • Zouten §4.2
  • Namen en formules van zouten §4.3
  • Zouten in water §4.4
  • Zouthydraten §4.5
  • Molariteit §4.7

Slide 2 - Slide

H4 - Zouten en Zoutoplossingen
Belangrijke paragrafen:
  • Zouten §4.2
  • Namen en formules van zouten §4.3
  • Zouten in water §4.4
  • Zouthydraten §4.5
  • Molariteit §4.7

Slide 3 - Slide

Na deze paragraaf (§4.7):
Weet ik:
  • wat Molariteit inhoud

Kan ik:
  • rekenen met de molariteit van (zout) oplossingen

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Concentratie / Molariteit
  • Concentratie (symbool c) 
  • => hoeveelheid opgeloste stof (meestal gram) per volume eenheid (meestal Liter) in de oplossing.
  • c = m : V   (let op: volume van de oplossing, niet de opgeloste stof)

  • Molariteit  
  • => is de concentratie in mol per Liter:  [X] = n : V
  • (let op: volume van de oplossing, niet de opgeloste stof)


Slide 6 - Slide

Concentratie / Molariteit
  • Concentratie en Molariteit zeggen dus allebei iets over hoeveel stof er per volume (per Liter dus) is opgelost.

  • Concentratie zegt hoeveel gram er is opgelost => in g/L (gram per liter)
  • Molariteit zegt hoeveel mol er is opgelost => in mol/L (mol per liter)

  • In de scheikunde wordt de Molariteit veel meer gebruikt.

Slide 7 - Slide

Molariteit
Notatie Molariteit: je noteer molariteit als rechte haken om de formule van de opgeloste stof.

Voorbeelden:
[C6H12O6] = molariteit van opgeloste glucose
[NaCl] = molariteit van de opgeloste natriumchloride
[Na+] = molariteit van de opgeloste natrium-ionen
[CO32-] = molariteit van de opgeloste carbonaationen

Slide 8 - Slide

Molariteit
Notatie Molariteit: je noteer molariteit als rechte haken om de formule van de opgeloste stof.

Voorbeelden:
[Na+] = 0,10 M
Hier staat: de molariteit van Na+ ionen is 0,10 mol per liter oplossing.
Je zegt ook wel: de Na+ concentratie is 0,10 molair.

Slide 9 - Slide

Je kunt dus niet in 1 stap van massa naar molariteit!

Slide 10 - Slide

Voorbeeld 1

Je lost 2,4 mol glucose (C6H12O6) op in 8,0 Liter water. 
Bereken de molariteit van de oplossing. 
  • We gebruiken de formule : 
  •  [x] = n / V

  • n = aantal mol = 2,4 mol
  • V = volume (in L) = 8,0
  • [C6H12O6] = molariteit 

  • [C6H12O6] = 2,4 / 8,0
  • [C6H12O6] = 0,30 mol / L
  •                      = 0,30 M

Slide 11 - Slide

Voorbeeld 2

Je lost 1,42 mol glucose (C6H12O6) op in 3,50 Liter water. 
Bereken de molariteit van de oplossing . 

Slide 12 - Slide

Je lost 1,42 mol glucose op in 3,50 liter water. Bereken
[C6H12O6]
A
0,4 M
B
2,5 M
C
0,406 M
D
2,46 M

Slide 13 - Quiz

Voorbeeld 2

Je lost 1,42 mol glucose (C6H12O6) op in 3,50 Liter water. 
Bereken de molariteit van de oplossing. 
  • We gebruiken de formule : 
  •  [x] = n / V

  • n = aantal mol = 1,42 mol
  • V = volume (in L) = 3,50 L
  • [C6H12O6] = molariteit = ?

  • [C6H12O6] = 1,42 / 3,50
  • [C6H12O6] = 0,406 mol / L
  •                      = 0,406 M

Slide 14 - Slide

Voorbeeld 3

Je lost 9,42 gram glucose (C6H12O6) op in 2,50 Liter water. 
Bereken de molariteit van de oplossing. 
  • Eerst van gram -> mol berekenen

Slide 15 - Slide

Bereken hoeveel mol glucose overeenkomt met 9,42 gram glucose. Gebruik BINAS 98.

Slide 16 - Open question

Voorbeeld 3

Je lost 9,42 gram glucose (C6H12O6) op in 2,50 Liter water. 
Bereken de molariteit van de oplossing. 
  • Eerst van gram -> mol berekenen

  • Molmassa = 180,16 g/mol
  • 9,42 / 180,16 = 0,0522868 mol


  • Nu kan je verder

Slide 17 - Slide

Je lost dus 0,0522868 mol glucose op in 2,50 liter water. Bereken [ C6H12O6 ].

Slide 18 - Open question

Voorbeeld 3

Je lost 9,42 gram glucose (C6H12O6) op in 2,50 Liter water. 
Bereken de molariteit van de oplossing. 
  • Eerst van gram -> mol 

  • Molmassa = 180,16 g/mol
  • 9,42 / 180,16 = 0,0522868 mol

  • n = aantal mol = 0,0523... mol
  • V = volume (in L) = 2,50 L
  • [C6H12O6] = molariteit = ?

  • [C6H12O6] = 0,0522868  / 2,50
  • [C6H12O6] = 0,0209 M

Slide 19 - Slide

Voorbeeld 4

Je lost 3,262 mol natriumchloride (NaCl) op in 1,500 Liter water. 

Bereken de molariteit van de chloride-ionen in de oplossing. 

Slide 20 - Slide

Wat is de juiste oplosvergelijking van natriumchloride?
A
2 NaCl → 2 Na + Cl₂
B
NaCl → Na⁺ + Cl⁻
C
2 Na + Cl₂ → 2 NaCl
D
Na⁺ + Cl⁻ → NaCl

Slide 21 - Quiz

Voorbeeld 4

Je lost 3,262 mol natriumchloride (NaCl) op in 1,500 Liter water. 

Bereken de molariteit van de chloride-ionen in de oplossing. 
Oplosvergelijking:
1 NaCl -> 1 Na+ + 1 Cl-




Slide 22 - Slide

Hoeveel mol Na+ ontstaat er dus uit 3,262 mol NaCl?
A
3,262 mol
B
1,631 mol
C
6,524 mol
D
0,8155 mol

Slide 23 - Quiz

Voorbeeld 4

Je lost 3,262 mol natriumchloride (NaCl) op in 1,500 Liter water. 

Bereken de molariteit van de chloride-ionen in de oplossing. 
  • Oplosvergelijking:
  • 1 NaCl -> 1 Na+ + 1 Cl- 
  • 3,262 mol : 3,262 mol

  • n = aantal mol = 3,262 mol
  • V = volume (in L) = 1,500 L

  • [Cl-] = 3,262 / 1,500
  • [Cl-] = 2,175 M




Slide 24 - Slide

Voorbeeld 5

Je lost 3,0 mol natriumchloride (NaCl) op in 500 mL water. 

Bereken de molariteit van de natrium-ionen in de oplossing. 

Slide 25 - Slide

We lossen 3,0 mol natriumchloride op in 500 mL water.
Hoeveel mol natriumionen heb je in de oplossing?

A
1,5 mol
B
3,0 mol
C
4,5 mol
D
6,0 mol

Slide 26 - Quiz

We lossen 3,0 mol natriumchloride op in 500 mL water.
Wat is de molariteit van natriumionen in de oplossing?
A
0,75 mol/L
B
1,5 mol/L
C
3,0 mol/L
D
6.0 mol/L

Slide 27 - Quiz

Voorbeeld 5

Je lost 3,0 mol natriumchloride (NaCl) op in 500 mL water. 

Bereken de molariteit van de natrium-ionen in de oplossing. 
  • Oplosvergelijking:
  • 1 NaCl -> 1 Na+ + 1 Cl-
  • 3,0 mol : 3,0 mol

  • n = aantal mol = 3,0 mol
  • V = volume (in L) = 0,500 L

  • [Na+] = 3,0 / 0,500
  • [Na+] = 6,0 M


Slide 28 - Slide

Voorbeeld 6

Je lost 0,034 mol natriumsulfaat (Na2SO4) op in 1500 mL water. 

Bereken de [Na+

Slide 29 - Slide

Geef de oplosvergelijking van natriumsulfaat
A
Na2SO4>2Na++S2+2O2
B
Na2SO4>2Na++SO42
C
Na2SO4>2Na+SO4
D
Na2SO4>Na2++SO42

Slide 30 - Quiz

Voorbeeld 6

Je lost 0,034 mol natriumsulfaat (Na2SO4) op in 1500 mL water. 

Bereken de [Na+
  • Oplosvergelijking:
  • 1 Na2SO4 -> 2 Na+ + 1 SO42-




Slide 31 - Slide

Wat is de mol verhouding tussen natriumsulfaat en de natrium-ionen die ontstaan?
A
Na2SO4:Na+=1:2
B
Na2SO4:Na+=1:1
C
Na2SO4:Na+=2:1
D
Na2SO4:Na+=2:2

Slide 32 - Quiz

Je lost 0,034 mol Na2SO4 op in 1,500 liter water.
De molverhouding tussen Na2SO4 en Na+ = 1 : 2. Bereken [ Na+ ].

Slide 33 - Open question

Voorbeeld 6

Je lost 0,034 mol natriumsulfaat (Na2SO4) op in 1500 mL water. 

Bereken de [Na+
  • Oplosvergelijking:
  • 1 Na2SO4 -> 2 Na+ + 1 SO42-
  • 1,0 mol : 2,0 mol : 1 mol

  • n = aantal mol = 0,068 mol
  • V = volume (in L) = 1,500 L

  • [Na+] = 0,068 / 1,500
  • [Na+] = 0,045 M



Slide 34 - Slide

Aan de slag 

  • Doorlezen §3.2 + §3.4
  • Maken:
      * §3.4 => opdr. 46, 49, 51, 58,

      * §3.2 => opdr. 12, 14, 19, 24, 25



  • Eerste 5 minuten in stilte
  • Daarna fluisterend overleggen met buur of werken met muziek

  • Vraag? Steek je hand op
  • Af? => Geen huiswerk
timer
5:00

Slide 35 - Slide

Meer oefenen
We gaan nog oefenen met een paar sommen

Maar: Snap je het? Geen vragen?
=> Ga dan zelfstandig verder werken aan de 'toets' die klaar staat

Slide 36 - Slide

We lossen 2,5 mol glucose op in 300 mL water. Wat is de molariteit van glucose?
A
0,75 M
B
0,083M
C
8,3 M
D
750 M

Slide 37 - Quiz

We lossen 100 g glucose (C6H12O6) op in 25 dL water. Bereken de molariteit.

Slide 38 - Open question

We lossen 100 g NaCl op in 0,50 L water. Bereken [Na+]

Slide 39 - Open question

We lossen 1,0 mol aluminiumsulfaat op in 2,0 L water.
Hoeveel mol aluminiumionen heb je in de oplossing?
A
0,50 mol/L
B
1,0 mol/L
C
1,5 mol/L
D
2,0 mol/L

Slide 40 - Quiz

oplosvergelijking:  Al2(SO4)3 (s) -> 2 Al 3+ (aq)  +   3 SO4 2- (aq)
molverhouding:              1        :                    2           :                3
dus:                                     1,0 mol               2,0 mol                 3,0 mol  


Slide 41 - Slide

We lossen 1,0 mol aluminiumsulfaat op in 2,0 L water. Dus 2,0 mol aluminiumionen in de oplossing.
Wat is de molariteit van de aluminiumionen in de oplossing?
A
0,5 mol/L
B
1,0 mol/L
C
2,0 mol/L
D
6.0 mol/L

Slide 42 - Quiz

oplosvergelijking:  Al2(SO4)3 (s) -> 2 Al 3+ (aq)  +   3 SO4 2- (aq)
molverhouding:              1        :                    2           :                3
dus:                                     1,0 mol               2,0 mol                  3,0 mol

                        [Al3+ ] = n : V 
                        [Al3+ ] = 2,0 : 2,0  L = 1,0 M


Slide 43 - Slide

Molariteit
We lossen 6,0 gram calciumchloride op in water.
Er ontstaat een oplossing met een volume van 500 mL.
        a.    Bereken het aantal mol opgeloste calciumchloride.
        b.     Bereken de molariteit van de ionconcentraties. 
                 (dus de molariteit van de calciumionen en de chloride-ionen)
    

Slide 44 - Slide

We lossen 6,0 gram calciumchloride op in water. Er ontstaat een 500 mL oplossing.
a. Bereken het aantal mol opgeloste calciumchloride.
b. Bereken de molariteit van de ionconcentraties.
(dus de molariteit van de calciumionen en de chloride-ionen)

Slide 45 - Open question

Molariteit
We lossen 6,0 gram calciumchloride op in water.
Er ontstaat een oplossing met een volume van 500 mL.
        a.    Bereken het aantal mol opgeloste calciumchloride.
        b.     Bereken de molariteit van de ionconcentraties.
    
    a.      m = 6 gram calciumchloride: CaCl2
             M = 110,98 g · mol -1
             n = m : M = 6,0 : 110,98 = 0,054 mol

Slide 46 - Slide

Molariteit
We lossen 6,0 gram calciumchloride op in water.
Er ontstaat een oplossing met een volume van 500 mL.
        a.     6,0 gram calciumchloride  = 0,054 mol   
        b.     Bereken de molariteit van de ionconcentraties.
    
       b.    oplossen:         CaCl2 (s)   ->    Ca2+ (aq) + 2 Cl- (aq)
                molverhouding:          1                  1                     2
                aantal mol              0,054 mol    0,054 mol    0,11 mol
                [Ca ] = 0,054 : 0,500 L = 0,11 mol · L-1   = 0,11 M (molair) 
                [Cl -]    = 0,11 : 0,500 L = 0,22 mol · L-1  = 0,22 M (molair)            

Slide 47 - Slide

Aan welke onderwerpen moet ik komende tijd nog aandacht besteden?

Slide 48 - Open question