Periode 3 les 7

1 / 19
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 2

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Lesdoelen


- Aan het einde van de les weet je het verschil tussen een formele tekst en een informele tekst
- Aan het einde van de les weet je het verschil tussen informeel en formeel taalgebruik

Slide 2 - Slide

Waar denk je aan bij
een formele tekst?

Slide 3 - Mind map

Waar denk je aan bij een
informele tekst?

Slide 4 - Mind map

Wat zijn de verschillen
qua stijl (aanhef, taalgebruik, etc.)

Slide 5 - Mind map

Formele teksten
- zakelijk
- klachtenbrief, sollicitatiebrief
- passende aanhef
- passend taalgebruik
- passende woordkeuze


Slide 6 - Slide

Informele teksten
- geen zakelijke teksten
- geboortekaartje, trouwkaartje, uitnodiging
- informeel taalgebruik
- makkelijke woorden

Slide 7 - Slide

Wanneer formeel of informeel?
- doelgroep > leeftijd, status, relatie
- doel van de tekst > reclame, informatief
- afzender > grootte van organisatie  
- 'de koffieautomaatcheck'

Slide 8 - Slide

Een voorbeeld van een informele tekst is een?
A
sollicitatiebrief
B
uitnodiging
C
klachtenbrief
D
berichtje van jouw broer

Slide 9 - Quiz

Welke aanhef gebruik je bij een informele tekst?
A
Geachte
B
Beste
C
Hai
D
Hoi

Slide 10 - Quiz

Schrijf de volgende aanhef formeel:
Hoi Jan Dijk,

Slide 11 - Open question

'Adolescenten' is een?
A
Informeel woord
B
Formeel woord

Slide 12 - Quiz

Schrijf de volgende slotgroet informeel: Groetjes,
Jan

Slide 13 - Open question

Bij een formele tekst gebruik je?
A
je
B
u
C
geachte
D
hoi

Slide 14 - Quiz

Schrijf de volgende zin formeel:
Wat een tof gesprek hadden we met elkaar afgelopen maandag over project X!

Slide 15 - Open question

Welke teksten vind je het moeilijkst om te schrijven?
Informeel
Formeel

Slide 16 - Poll

Opdracht
- Schrijf twee korte brieven: één aan de examencommissie van het mbo en één aan je buurvouw. Beide lever je in via TEAMS

Probleem voor de examencommissie: je had veel geluidsoverlast en daardoor kon je je niet concentreren tijdens je examen.
Probleem buurvrouw:  je had veel geluidsoverlastdaardoor kon je thuis niet leren.

Alle verdere informatie mag je zelf verzinnen.
Denk aan: - informeel en formeel taalgebruik
- juiste aanhef en woordkeuzes
- minimaal drie alinea's (inleiding, kern, slot)




Slide 17 - Slide

Lesdoelen


- Aan het einde van de les weet je het verschil tussen een formele tekst en een informele tekst
- Aan het einde van de les weet je het verschil tussen informeel en formeel taalgebruik

Slide 18 - Slide

Wat is er nog onduidelijk?

Slide 19 - Open question