instructie 1: hoofdletter en lidwoorden


Ik weet wanneer ik woorden met een hoofdletter schrijf.
Ik weet wat der/die das betekent

1 / 25
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson


Ik weet wanneer ik woorden met een hoofdletter schrijf.
Ik weet wat der/die das betekent

Slide 1 - Slide

Duits en Nederlands lijken veel op elkaar.

der Arm              = de arm
die Hand            = de hand
der Finger          = de vinger
der Ringfinger = de ringvinger

Sommige woorden kan je goed raden.
  • das Blut
  • der Kopf
  • das Bein
  • die Nase

Slide 2 - Slide

der Kopf
die Nase
das Bein

Wat zou der/ die /das betekenen?

  • der /die/das = de/het

  • DAS betekent heel vaak HET

Slide 3 - Slide

Das = het
  • das Bein
  • het been
  • das Theater
  • het theater
  • das Kind
  • het kind

  • DAS betekent heel vaak HET.

Slide 4 - Slide

Wanneer gebruik je der/die/das?


  • der> mannelijke woorden.( der Mann, der Vater, der Opa)
  • die> vrouwelijke woorden.( die Frau, die Mutter, die Oma)
  • das> onzijdige woorden die in het NL het HET lidwoord hebben.
  • het kind = das Kind
  • het huis = das Haus
  • het meisje = das Mädchen

Slide 5 - Slide

Vertaal:
de broer
A
der Bruder
B
die Bruder
C
das Bruder

Slide 6 - Quiz

Vertaal:
de nicht
A
der Nichte
B
die NIchte
C
das Nichte

Slide 7 - Quiz

Vertaal:
de stier
A
der Stier
B
die Stier
C
das Stier

Slide 8 - Quiz

Vertaal:
de oma
A
der Oma
B
die Oma
C
das Oma

Slide 9 - Quiz

Vertaal:
het hart
A
der Herz
B
die Herz
C
das Herz

Slide 10 - Quiz

Je hebt al gezien dat in de Duitse taal veel meer woorden met een hoofdletter worden geschreven.

Dit zijn  de zelfstandige naamwoorden

  • woorden waar je de/het/een voor kunt zetten.
  • Noem een zelfstandig naamwoord
  • Tip> kijk om je heen.

Slide 11 - Slide

Schrijf in het NL 3 zelfstandig naamwoord op

Slide 12 - Mind map

Wanneer een hoofdletter:
1. Begin van een zin. 
2. Namen, plaatsnamen, merken etc. 
3. Zelfstandige naamwoorden. 

Slide 13 - Slide

Wel of geen hoofdletter?
A
die mutter
B
die Mutter

Slide 14 - Quiz

Wel of geen hoofdletter?
A
das pferd
B
das Pferd

Slide 15 - Quiz

Wel of geen hoofdletter?
A
die zehn
B
die Zehn

Slide 16 - Quiz

Wel of geen hoofdletter?
A
das grün
B
das Grün

Slide 17 - Quiz

Wel of geen hoofdletter?
A
berlin
B
Berlin

Slide 18 - Quiz

Wel of geen hoofdletter?
A
der junge
B
der Junge

Slide 19 - Quiz

Wel of geen hoofdletter?
A
Deutschland
B
deutschland

Slide 20 - Quiz

Wat krijgt in deze zin een hoofdletter?
'hallo, mein name ist otto'.
A
hallo, mein, otto
B
otto
C
mein, name
D
hallo, name, otto

Slide 21 - Quiz

Wat krijgt in deze zin een hoofdletter?
'ich habe einen hund und eine katze'.
A
ich
B
ich, hund
C
ich, hund, katze
D
ich, habe, hund, katze

Slide 22 - Quiz

Wat krijgt in deze zin een hoofdletter?
'meine mutter ist 52 jahre alt.'
A
meine, mutter, jahre
B
meine, alt
C
mutter, jahre
D
meine, mutter, jahre, alt

Slide 23 - Quiz

Wat krijgt in deze zin een hoofdletter?'
meine großeltern wohnen in rotterdam'.
A
meine, großeltern, wohnen
B
meine, großeltern, rotterdam
C
meine, rotterdam
D
meine

Slide 24 - Quiz

Schrijf over in je schrift.

de lidwoorden der/die/das = de/het
Het lidwoord HET wordt in het Duits vaak vertaalt met DAS.
Wanneer je een nieuw woord leert moet je het lidwoord erbij leren.

Zelfstandige naamwoorden zijn de woorden waar je de/het/een voor kunt zetten.
Zelfstandige naamwoorden schrijf je in het Duits met een hoofdletter.

Slide 25 - Slide