V3 Herhalen Formuleren 1-3 NN

Formuleren H1-3
H1: samentrekking controleren
H2: fouten met verwijswoorden
H3: beknopte bijzin controleren
1 / 22
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Formuleren H1-3
H1: samentrekking controleren
H2: fouten met verwijswoorden
H3: beknopte bijzin controleren

Slide 1 - Slide

H1: samentrekking controleren
In een samengestelde zin (met voegwoorden 'en' + 'maar') kun je dezelfde woorden de tweede keer weglaten. Dit is een samentrekking. 

De studenten wilden een sportevenement organiseren en een dansfeestje geven. 
Samengetrokken woorden:
De studenten wilden een sportevenement organiseren en 
de studenten wilden een dansfeestje geven. 

Slide 2 - Slide

Een samentrekking moet voldoen aan drie voorwaarden: 
 ze moeten:
- dezelfde grammaticale functie hebben
- dezelfde betekenis hebben
- hetzelfde getal hebben

Correct of niet? 
Anke gaf veel om haar vriend en hem daarom een dikke knuffel. 

Slide 3 - Slide

De hond werd voortdurend gepest en tenslotte ziek.
Verbeter de samentrekking.

Slide 4 - Open question

De hond werd voortdurend gepest en tenslotte ziek.
Aan welke voorwaarde wordt niet voldaan?
A
Functie
B
Betekenis
C
Getal

Slide 5 - Quiz

In onze straat wordt een verkeersdrempel aangelegd en huizen gebouwd.
Verbeter de samentrekking.

Slide 6 - Open question

In onze straat wordt een verkeersdrempel aangelegd en huizen gebouwd.
Aan welke voorwaarde wordt niet voldaan?
A
Functie
B
Betekenis
C
Getal

Slide 7 - Quiz

Het lukte haar niet de beste te blijven en begon nerveus te worden.
Verbeter de samentrekking.

Slide 8 - Open question

Het lukte haar niet de beste te blijven en begon nerveus te worden.
Aan welke voorwaarde wordt niet voldaan?
A
Functie
B
Betekenis
C
Getal

Slide 9 - Quiz

H2: fouten met verwijswoorden
Verwijswoorden wijzen terug naar een woord dat eerder genoemd is: het antecedent. 

Leer je aantekening en theorie uit het lesboek. 

Slide 10 - Slide

Kies het juiste verwijswoord.
Het bedrijf kon niet voldoen aan de vraag van … klanten.
A
haar
B
hen
C
hun
D
zijn

Slide 11 - Quiz

Kies het juiste verwijswoord.
De apotheek kon niet voldoen aan de vraag van … klanten.
A
haar
B
hen
C
hun
D
zijn

Slide 12 - Quiz

Goed of fout? Leg uit.
De mentoren overhandigden hun aan het eind van het jaar de rapporten.

Slide 13 - Open question

Vul in: 'dat' of 'wat'.
Gisteren zijn er in de mist diverse ongelukken gebeurd, … veel blikschade opleverde.

Slide 14 - Open question

Vul in:
De regering is er voor ____ onderdanen en ____ moet naar hen luisteren.
A
zijn, hij
B
de, het
C
haar, ze
D
hun, zij

Slide 15 - Quiz

H3: foutieve beknopte bijzin
Als het onderwerp van de beknopte bijzin niet hetzelfde is als het onderwerp van de hoofdzin, heb je te maken met een foutieve beknopte bijzin. 

Slide 16 - Slide

Voorbeeld
[Na een uur in de oven te hebben gestaan], smulden de gasten van de taart.
Onderwerp van de hoofdzin: de gasten
Verzwegen onderwerp van de beknopte bijzin: de taart

Nu lijkt het alsof de gasten een uur in de oven hebben gestaan.

Hoe verbeteren?
Voeg het onderwerp toe aan de beknopte bijzin:'

Nadat de taart een uur in de oven had gestaan, smulden de gasten ervan. 


Slide 17 - Slide

Foutieve beknopte bijzin of een goede beknopte bijzin?

Eindelijk thuisgekomen, ging hij meteen naar bed.
A
Foutief
B
Goed

Slide 18 - Quiz

Foutieve beknopte bijzin of een goede beknopte bijzin?
Lopend naar de overkant, reed de auto hem bijna aan.


A
Foutief
B
Goed

Slide 19 - Quiz

Foutieve beknopte bijzin of een goede beknopte bijzin?

Na koffie gedronken te hebben, reed de bus verder.
A
Foutief
B
Goed

Slide 20 - Quiz

Schrijf de foutieve beknopte bijzin uit tot een volledige bijzin.

Lopend naar de overkant, reed de auto hem bijna aan.

Slide 21 - Open question

Schrijf de foutieve beknopte bijzin uit tot een volledige bijzin.
Na koffie gedronken te hebben, reed de bus verder.

Slide 22 - Open question